Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de weigering om zijn leven te laten beheersclien door God. — Het werkw. ioxiftx^eiv beteekent „beproeven", vandaar „waard achten", „goed vinden". Zij hebben den God, die in hun binnenste Zich had geopenbaard (vs. 19, 20), niet tot voorwerp van heldere kennis (ivlyvciivii;) gemaakt, en dit licht in hun binnenste niet onderhouden. De grieksche uitdrukking sxe'v iv sTTiyvujei is analoog met de klassieke spreekwijze ë%eiv tim iv Spyü, iemand als ingesloten houden in toorn. De zedelijke taak van den mensch was, de intuitie van God als van het volmaakte Wezen in zich levendig te houden, zoodat zij de norm werd van 's menschen wil en gedrag. De Heidenen weigerden dit en zijn daarom aan alle ongerechtigheid overgegeven. — KxSc&f (letterl. in overeenstemming hiermede, dat) wijst den nauwen samenhang aan tusschen deze eerste ongerechtigheid en de ongerechtigheden, die volgen. De uitdrukking voüf beantwoordt aan ovx i^on![z»r»v.

De vovt is het vermogen om intellectueel of moreel te onderscheiden, het is de zin voor het ware en goede. Het adj. aSoxifio?, niet voor goed bevonden of onaannemelijk, van <)s%o(txi, aannemen (1 Kor. 9:27), beteekent hier eigenlijk: een verworpen en verwerpelijken zedelijken zin, waarop men dus volstrekt niet vertrouwen kan, een zin, die niet bij machte is om te ^oki/^x^siv (van 5óxifioc) d. i. goed en kwaad te waardeeren. Deze toestand met al zijne gevolgen is even goed een gericht als de hierboven beschrevene tegennatuurlijke hartstochten (vs. 26, 27). Het wordt uitgedrukt door irdpéiuKóv; zie vs. 24, 26.

De woorden „hetgeen niet betaamt" in plaats van „het kwade" passen bij het begrip van waardeering, dat in 3oxittot&iv en «5oxifioi ligt. Het kwade wordt hier voorgesteld als een zedelijke mismaaktheid, wel geschikt om het verstand te ontzetten, zoo dit niet van zijn natuurlijk onderscheidingsvermogen beroofd was. De inf. noielv staat bijna met een latijnsch gerundivum gelijk: doordat zij doen. De subjectieve negatie ^ met het part. beteekent niet „alles wat onbetamelijk is", maar „alles wat men natuurlijkerwijze daartoe rekent . Eindelijk moet men op de opzettelijke herhaling van

Sluiten