is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het karakter heeft van een tegennatuurlijke verlaging en van straf, de duidelijke openbaring van Gods toorn. Hij beschrijft dit groote historische gericht eerst uit een godsdienstig oogpunt: de mensch dooft de intuïtie voor het Goddelijke wezen uit en verandert God in een afgodsbeeld; tot straf daarvoor verlaagt hij zichzelven door afschuwelijke onreinheid. Daarna beschrijft hij het uit een zedelijk oogpunt: de mensch dooft het licht van zijn geweten uit; tot straf verliest hij het zedelijke onderscheidingsvermogen en wordt zóó bedorven, dat hij zelfs de ongerechtigheden, waarvan hij weet, dat daarop het Goddelijke oordeel rust, toejuicht; het is de algeheele verlamming van het geweten. Zoo wordt de gedachte van vs. 18 „de toorn Gods openbaart zich over de heidenwereld" door de feiten gerechtvaardigd.

VIJFDE STUK.

H. II: 1—29. i)

De opeenhooping van gods toobn over het joodsche volk.

Bij dezen stortvloed van zonde en schande bemerkt de apostel iemand, die als een rechter van de hoogte van zijn rechterstoel met gestrengen blik op die bedorven massa nederziet, terwijl hij het heerschende kwaad veroordeelt en Gods straffenden toorn billijkt. Dezen mensch spreekt hij met de volgende woorden aan:

Vs. 1: „Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mensch, wie gij ook zijt, die oordeelt! Want terwijl gij den ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven, omdat gij hetzelfde doet, gij, die oordeelt."

Wien bedoelt de apostel? „De heidensche overheid" ant-

1) In dit hoofdstuk lijn volgenij „Verisimilia" tb. 6—10, 11 16» 17 25

26—29 joodsche fragmenten. ' '

10»