is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heiden8che gruwelen uitspreken, zal hen niet voor het Goddelijke gericht bewaren, vs. 1—5; 2° dit oordeel zal onpartijdig zijn, naar eens ieders werk, vs. 6—12, 3° onafhankelijk van het bezit of niet-bezit der wet, vs. 13—16. De directe toepassing van deze algemeene waarheden op de Joden volgt in het tweede deel van het hoofdstuk, vs. 17—29.

Ató, hetwelk dit stuk aan het vorige hecht, wordt door Meyer in verband gebracht met de schildering van het leven der Heidenen van af vs. 18, alsof de Joden daarin het verootmoedigende beeld van hun eigen gedrag moesten zien. Echter moet dit voor de Joden uiterst bezwaarlijk zijn geweest. Men heeft dit partikel alleen op vs. 32 laten slaan, hetzij in den zin van de Wette, Fritzsche: „Daarom, omdat God een oordeel des doods uitspreekt over hen, die zoo

handelen ", hetzij in jdien van Philippi, Holsten,

Oltramare: „Daarom, omdat de mensch, die oordeelt, zeker

dit oordeel des doods kent Maar had Paulus in

beide gevallen niet moeten zeggen: „gij ook, die oordeelt, gij zijt niet te verontschuldigen"? Hofmann heeft uit de aldus opgevatte verbinding het logische besluit getrokken, dat hier van dezelfde personen sprake is als in vs. 32, hetgeen hem den zin van het geheele stuk heeft doen missen. „Daarom" moet veeleer verklaard worden door de tegenstelling tusschen het toejuichen van de zonde (einde van vs. 32) en het oordeelen van de zonde. Wanneer iemand, die door eigen schuld zijn moraliteitsgevoel zóó geheel verloren heeft, dat hij het kwaad bij auderen toejuicht, zeker den Goddelijken toorn verdient, hoeveel te meer dan hij, die nog genoeg zedelijkheidsgevoel heeft behouden om over het gedrag van anderen te oordeelen en zich toch aan dezelfde zonden overgeeft! Bij de vloekwaardigheid der zonde zelve komt nog het hatelijke van den hoogmoed en van de huichelarij (zie Weiss, die het verband evenzoo opvat). — De uitdrukking „niet te verontschuldigen" wordt hier geheel op dezelfde wijze van de Joden gebruikt als H. 1 : 20 van de Heidenen. Paulus wil bewijzen, dat de geheele wereld is onder het