is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zij vanwege hun zuiverder geloof en hun plaats in de theokratie zekere voorrechten bezaten, en dat zij, hoewel overtreders der wet, toch vrijgesproken zouden worden. Ta. TOiotuTx is ongeveer hetzelfde als rot xut* (vs. 1), maar het herinnert tevens aan het aanstootelijke van die dingen. — Er was in het hart van den Jood een vooroordeel, dat zich tegen de gedachte van een volkomen waar oordeel verzette. Dat vooroordeel moet uitgeroeid worden. Het geschiedt in vs. 3—5.

Vs. 3: „Maar meent gij dit, o mensch, die hen oordeelt, welke zulke dingen doen, en ze zelf doet, dat gij het oordeel Gods ontkomen zult?"

Om „maar" te begrijpen, moet men in gedachte tusschen het 2e en 3® vs. de conclusie uit het 2e vs. invullen: „Ook gij hebt dus te wachten, dat een rechtvaardig oordeel over u komen zal". Vandaar het 3e vs.: Maar denkt gij, in weerwil van deze wetenschap, die wij allen van het oordeel

hebben P — Hofmann neemt de verb. en

KxrxQpoveT; in bevestigenden zin evenals het verb. van vs. 5, maar >j (vs. 4), waarmede Paulus zoo dikwijls twee vragen verbindt, noopt er ons toe, hier een vraag aan te nemen, die door haar levendigheid ook beter in het verband past. De uitdrukking toyi&aQxi karakteriseert de valsche berekeningen, waarmede de Joden zichzelven zochten te overtuigen, dat zij aan het algemeene gericht zouden ontkomen. Let op <ru: „zulk een als gij, zulk een bevoorrecht wezen!" Het heeft geen zin dan in zoover Paulus zich richt tot een groep menschen, die, op grond van zekere voorrechten, meenen te mogen hopen, dat er voor hen een uitzondering zal worden gemaakt (Weiss). — Dat „ieder besnedene deel had aan het toekomstig rijk", sprak bij de Joden vanzelf. Maar misschien stak er bij deze rechters nog iets anders achter dan een valsche berekening:

Vs. 4, 5: „Of veracht gij den rgkdom Zijner goeder-