Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tierenheid" (vs. 4) en Qwxupifyiv. In dit laatste ligt, evenals in den dativus trexurcfi (dat. commodi!) een zekere ironie : „Welk een schat 1" — De toorn wordt hier den Joden aangekondigd, evenals H. 1 : 18 den Heidenen. De twee uitspraken loopen parallel, alleen met dit verschil, dat bij de Heidenen de bliksem reeds inslaat, terwijl bij de Joden het onweer zich samenpakt. Het tijdstip, waarop het zal uitbarsten, heet de „dag des toorns", d. i. de groote nationale katastrofe, die Johannes de Dooper en Jezus voorspelden (Matth. 3:10; Luk. 11: 50, 51), en voorts het eindgericht over alle schuldige individuen, na den dood of op den jongsten dag. De praep. èv kan afhangen van „toorn", „de toorn (die zijn vollen loop

hebben zal) op den dag, waarop Maar het is

eenvoudiger, ze in verband te brengen met het werkwoord. „Gij vergadert u op", voor „gij vergadert u een som (die u zal worden uitbetaald) op dien dag". — De drie HSS. K L P benevens de correctors van n D hebben tusschen „openbai'ing" en „rechtvaardig oordeel" xxi: dag van toorn en van openbaring en van rechtvaardig oordeel. De drie woorden zouden goed passen bij de drie van vs. 4: goedertierenheid, verdraagzaamheid, lankmoedigheid. Bij „openbaring" moest dan gedacht worden aan de openbaring van de menschelijke werken, of van den Heer Jezus Christus (1 Kor. 1:7), of van het oordeel. Reiche en Philippi verdedigen deze lezing; toch is zij weinig waarschijnlijk. Inderdaad ontbreekt xxl niet alleen in de andere HSS., maar ook in de syrische en de latijnschc vertaling; bovendien past de uitdrukking „de openbaring van het rechtvaardig oordeel" beter bij „de toorn Gods wordt geopenbaard" (H. 1 :18). Deze toorn was over de Heidenen reeds gekomen, maar ten aanzien van de Joden nog omsluierd; zij zal straks openbaar worden. De uitdrukking ïixxioxpiaix komt zelden voor. Zij geeft terug de gedachte van vs. 2 „het oordeel Gods naar waarheid", welke in het volgende ontwikkeld wordt.

Het verband tusschen vs. 5 en vs. 3, 4 valt zóó in het oog, dat men niet zou kunnen begrijpen, hoe Ritschl het kon miskennen door H. 2:5 aan H. 1 : 18 te verbinden,

Sluiten