Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergeving der zonden, niet op het laatste oordeel. Wanneer God den zondaar op het oogenblik van zijn bekeering in genade aanneemt, vraagt Hij van hem niets anders dan geloof, maar van dit oogenblik af begint voor hem een nieuwe verantwoordelijkheid. God eischt van den begenadigden geloovige de vruchten der genade. Men ziet het in de gelijkenis der talenten: de Heer geeft Zijne gaven aan Zijne dienstknechten om niet; maar na deze buitengewone genade verwacht Hij vrucht van hun werk. Ygl. ook de gelijkenis van den onbarmhartigen dienstknecht, Matth. 18:23—35, waar de begenadigde zondaar, die weigert zijn broeder te vergeven, om die reden zelf weder onder de gerechtigheid, en dus onder de zwaarte van zijn schuld wordt gebracht. Het geloof is niet het droeve voorrecht, ongestraft te mogen zondigen; het is het middel om de zonde te overwinnen en heilig te leven; wanneer het deze vrucht niet afwerpt, is het dood. „Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehouwen en in het vuur geworpen" (Matth. 3: 10). Men vergelijke de ontzettende waarschuwingen, die tot geloovigen worden gericht, H. 8:9, 12—13; 1 Kor. 6:9, 10. Het geldt hier dus een ernstig gemeenden regel: het eindoordeel over eiken mensch, wie hij ook zij, wordt bepaald door den aard van zijn zedelijk handelen. ') Philippi zegt terecht: „Paulus spreekt hier niet uit h^t gezichtspunt van de door het evangelie afgeschafte wet, ma\r uit dat van de door het evangelie vervulde wet". Zie de be.'grede, Matth. 5. Vgl. ook Beek. — De twee volgende verzen bevatten de ontwikkeling van de gedachte „zal vergelden".

Vs. 7, 8: „hun, die, met volharding in het doen van het goede, heerlijkheid en eer en onvergankelijkheid zoeken, het eeuwige leven; 8 maar den twistgierigen, die der waarheid ongehoorzaam,

1) Weiffenbach betuigt zijn instemming met deze gedachten (Theol. Lit.Zeit. 1894, 483).

Sluiten