is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gestelde KXT(py*&<r6xt van vs. 9, hetwelk iets ruwers, iets gewelddadigers aanduidt, zooals zulks voor het kwade past; vgl. het gelijksoortige hoewel niet gelijke verschil tusschen iroielv en irpocrireiv, Joh. 3:20, 21 e. e.

Ook hier wijst de apostel het eindresultaat aan, zoowel in het goede als in het kwade, zonder opzettelijk het middel te noemen, waardoor men het bereikt; dit middel zal zijn eenerzijds de verwerping van het evangelie (vs. 9), als de besliste openbaring van de voorliefde voor de zonde, als gevolg en oorzaak van den slechten wil; aan den anderen kant het aannemen van het evangelie (vs. 10), als gevolg en oorzaak van het willen en het volbrengen van het goede. — Maar waarop rust dit rechtvaardig oordeel? Op een eigenschap Gods, die de Jood niet ontkennen kan, zonder in tegenspraak te komen met het gansche O. T.: de onpartijdigheid, die het kwade veroordeelt, waar het ook is, onder of niet onder de wet (vs. 11, 12).

Vs. 11, 12: „Want er is geen aanneming des persoons bij God; 12 want zoovelen zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zoovelen onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden."

Het beginsel vs. 11 wordt telkens in het O. T. uitgesproken: vgl. Deut. 10:17; 1 Sam. 16:7; 2 Kron. 19:7; Job 34:19. Geen Jood kon het betwisten. De uitdrukking irporwnov X»ii(3xvciv, letterlijk „het aangezicht aannemen", op de uitwendige verschijning letten, behoort uitsluitend aan het hellenistisch grieksch (in de Sept.) toe; het is een zuiver hebraïsme; het is de tegenstelling van het rechtvaardig oordeel, hetwelk alleen met de zedelijke waarde der handelingen rekening houdt, zonder op de uitwendige positie der individuen te letten. „Bij God" beteekent: „in die lichtsfeer, waaruit uitsluitend rechtvaardige oordeelen voortkomen". Maar is het met die onpartijdigheid Gods niet in strijd, dat de wet

11*