is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijkbeid ook zijn. De gerechtigheid, die den geloovige krachtens zijn geloof wordt toegerekend, is het uitgangspunt en de grondslag van het werk des heils; maar de heiligheid, in zijn hart en leven gerealiseerd, moet er het einde en de kroon van zijn; het ééne is de poort naar den staat der genade; het andere is de voorwaarde om van den staat der genade in dien der heerlijkheid over te gaan. Wanneer de vrucht der genade, de reëele rechtvaardigheid, niet te voorschijn komt, wordt de toegerekende gerechtigheid teruggenomen. Dat is de gedachte van den apostel en van het geheele N. T., wat ook een ziekelijke, antinomistische richting moge beweren. De toegerekende gerechtigheid rust eeniglijk en alleen op het geloof; de gerechtigheid, die door God in den dag des oordeels erkend wordt, omvat het geloof en zijne vruchten. Vgl. in 't bijzonder H. 8:4, waar de apostel zegt, dat het ïixaiwiiu toü vo:j.ou, alles wat de wet voor rechtvaardig verklaart, in het leven van den geloovige vervuld wordt door den Geest des levens, die in Jezus Christus is.

De lutheraan Philippi zegt zelf: „De vervulling der wet is voor den geloovige mogelijk door de kracht der rechtvaardigende genade". Het oordeel Gods zou niet waar zijn, zooals de apostel vs. 2 heeft gezegd, als het anders was. God kan den onrechtvaardige niet voor rechtvaardig verklaren, dan alleen met het oog op de verwachting, dat hij het worden zal (zie op vs. 6).

De verzen 14, 15 zijn niet het antwoord op een tegenwerping , zij spreken als in het voorbijgaan een feit uit, hetwelk de waarheid van vs. 13 bevestigt. Wij zouden een zoodanige opmerking in een aanteekening of tusschen haakjes plaatsen. De leidende gedachte van deze verzen is: zóó waar is het, dat alleen het bezit of het hooren van de wet niet rechtvaardigt, dat strikt genomen de Heidenen evengoed als de Joden dit voorrecht bezitten en dus evengoed als zij zouden behouden worden, als dat voldoende was om niet in het gericht tfe komen.

Vs. 14, 15: Want wanneer de Heidenen, die