is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogelijk. Men zou dan vs. 13b als zuiver abstract en dit beginsel eenvoudig als hypothetisch moeten beschouwen (zie boven). De verzen 14, 15 zouden dan het eventueele bewijs geven van een beginsel, dat nooit in toepassing kan worden gebracht. Dat men zoo in al te veel abstracties vervalt, ligt voor de hand.

3° Tholuck, Lange, Schaff laten, evenals Meyer, „want" op de tweede helft van het 13® vers slaan, met dit onderscheid, dat, volgens hun beweren, op den dag des gerichts eenige Heidenen werkelijk door het houden van de wet zullen gerechtvaardigd worden: „Ja, de daders der wet zullen waarlijk gerechtvaardigd worden; want als er zulke menschen onder de Heidenen zijn, zal God, in weerwil van hunne zonden, uit genade, met hun relatief volbrengen van het goede rekening houden" (Tholuck). Of wel: „De Heidenen, die gedeeltelijk de wet betrachten, zullen stellig eenmaal tot het geloof aan het evangelie worden gebracht en daardoor op den dag des oordeels gerechtvaardigd worden" (Lange, Schaff). Maar bij beide verbindingen wordt de hoofdgedachte (eenerzijds het tolerant karakter der genade, aan den anderen kant het toekomstig geloof aan het evangelie) geheel weggelaten ; zij zou evenwel een onmisbare schakel in de redeneering zijn; bovendien wordt aan het einde van vs. 14, waar de slotsom betreffende het behoud van deze Heidenen nadrukkelijk moest zijn uitgesproken, niets dergelijks gezegd en gaat de gedachte van Paulus in een geheel andere richting voort.

4° De door Oltramare voorgestelde verbinding verschilt weinig van die van Meyer: Paulus wil de noodzakelijkheid van de in vs. 13 uitgesproken betrachting der wet rechtvaardigen. Daartoe herinnert hij in de verzen 14, 15 — hetgeen door het voorbeeld van de beste Heidenen bewezen wordt — „dat alleen het houden der wet een waar, ernstig bezit (?%eiv) der wet met zich brengt". Met deze laatste uitdrukking zinspeelt Oltramare op de woorden: „Zij zijn zichzelven een wet". Maar de gedachte van het „bezitten" of „niet-bezitten" der wet, als gevolg van het „houden" of „niet-houden" daarvan, is den apostel vreemd. Ook past zij