is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet in het verband. Paulus zou dan hier constateeren de superioriteit der Heidenen, die, omdat zij de wet houden, haar ook werkelijk bezitten, boven de Joden, die, omdat zij de wet niet houden, ze slechts in schijn bezitten, waaruit logisch deze conclusie volgen zou, dat, terwijl de laatsten bij het oordeel in het geval zullen zijn van de hoorders van vs. 13°, d. w. z. veroordeeld zullen worden, de eersten de daders van vs. 13b zullen wezen, d. w. z. zullen behouden worden. Maar dit is in lijnrechte tegenspraak met de gedachte van dit geheele stuk, dat nl. de Joden door het bezit der wet evenmin tegen den toorn gevrijwaard zijn als de Heidenen, alsmede met den inhoud van de eerste twee hoofdstukken, dat Joden en Heidenen onder den last des toorns zijn. Ook ontwikkelt Paulus aan het slot van vs. lo, waar hij, volgens Oltramare, logisch tot het behoud dier Heidenen komen moest, een geheel ander denkbeeld.

5° De werkelijke verbinding, zooals die reeds aan het einde van de verklaring van vs. 13 geformuleerd werd, is het eerst door Philippi voorgedragen. „Want" van vs. 14 slaat op de grondgedachte van vs. 13: „Wat den mensch in het oordeel rechtvaardigen zal, is niet dat hij de wet heeft gehad en gehoord (zooals de Joden zich wijsmaken), maar dat hij ze heeft gehouden". Om dit te bevestigen wijst de apostel op een in het oog vallend feit: „In hoevele gevallen bewijst het leven der Heidenen, dat ook zij, hoewel zonder geschreven wet, een wet hebben, gegraveerd in hunne harten, over wier toepassing op de zedelijke beoordeeling van hunne eigen handelingen zij zeer goed weten te spreken (vs. 14, 15). Hieruit volgt, dat, als het voldoende was de wet te hooren en te begrijpen en zelfs over hare toepassing te spreken om gerechtvaardigd te worden, de Heidenen het niet minder zouden zijn dan de Joden. Deze gevolgtrekking had dan een plaats moeten hebben aan het einde van het l5de vers; zij behoeft niet te worden vermeld, omdat zij op hetzelfde neerkomt als de stelling van vs. 13, welke door deze incidenteele opmerking als bewezen kan worden beschouwd. De bezwaren, door Meyer en Oltramare tegen deze verbinding