Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

getuigt, naast de daad zelve, van de aanwezigheid der Goddelijke wet". Bovendien weet men met hoeveel behendigheid de rabbijnen den tekst der wet wisten te ontleden en onder elkander redetwistten over de vraag, hoe men de wet in onderscheidene werkelijke of fictieve gevallen moest toepassen. Hun kracht lag in hun casuïstiek. Bij de Heidenen, zegt de apostel, is iets dergelijks: „en hunne gedachten onder elkander zich aanklagen of ook zich veronschuldigen".1) Meyer, Weiss, Holsten, Oltramare, Schlatter, e. a. meenen, dat Paulus het oog heeft op de debatten, welke de Heidenen onder elkander hadden over de zedelijke waarde van de daden hunner naasten; zou dan bij het voorafgaande

etinm behooren. Verder zou men hier, volgens velen van deze uitleggers, moeten bijdenken tru^fixprupovvruv, af te leiden uit avti/JLapTvpouw. „terwijl hun geweten getuigenis geeft, en hunne gedachten ook getuigenis geven, door onder elkander (hunne daden) aan te klagen of te verdedigen". Maar waarop kan Paulus dan zinspelen? Op iets uit het openbare leven? Echter zou men niet weten, wat. Op bijzondere aangelegenheden? Maar zouden zij voor Paulus zóó groote waarde hebben, dat hij er zich zoo speciaal op beriep en ze met het 'getuigenis van het geweten op één lijn stelde? Bovendien ligt het niet voor de hand, een part. plur. te ontleenen aan een part. sing., <ruf*f*xprijpo6ij^i;. Waarom zou de apostel dan niet terstond m/tftoipTvpouvTuv hebben geschreven? Het schijnt mij natuurlijker, met sommige uitleggers (Luther, Arnaud, Beek3)) het laatste zindeel van ons vers op een innerlijk feit te doen slaan, van denzelfden aard als het getuigenis des gewetens, waarmede het verbonden is. Paulus doet een beroep op de redeneeringen, waarmede de Heidenen zeiven zich onledig houden en die hunne eigene daden tot voor-

1) Miclielsen schrapt deze woorden als een aanhaling uit de Assumptio Mosis.

2) Zoo ook Hugo Rahse (Paraphrase des dogmatiaehen Teils des Briefes Pauli an die Römer, 1882); Klepper (Theol. Studiën und Skizzen aus Ostpreuasen, 1887). Deie laatste wordt bestreden door Schürer (Theol. Lit.-Zeit.,

1888, 130).

Sluiten