is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het laatste oordeel beschrijft, dan dat het mogelijk is ze van iets anders te verstaan: vgl. voor tulp* 1 Kor. 5:5 en elders; voor rk xpuxrx, 1 Kor. 4:5; voor 3,« 'Iwóü Xpitrcü H. 14:10; Hand. 17:31; en voor het geheele vers 1 Kor. 4:5* 2 Kor. 5 : 10. Klostermann merkt bovendien terecht op dat, wanneer hier werkelijk sprake was van bekeeringen in den tegenwoordigen tijd, er niet Sn maar Srxv staan moest, en dat dan de uitdrukking tüv ivdpunuv te algemeen zou zijn. Ons rest dus niets anders dan vs. 16 in verband te brengen met hetgeen aan de verzen 14, 15 voorafgaat. Ewald klimt op tot vs. 5 en Volkmar tot vs. 9. Beza, Griesbach, Reiche, Hodge verbinden vs. 16 met vs. 12, hetgeen eer mogelijk (de werkw. van dit vers staan in het fut.) maar toch onwaarschijnlijk is, omdat vs. 13 niet beschouwd kan worden als uitdrukking van een nevengedachte. Dit vers geeft integendeel een hoofdgedachte van het geheele hoofdstuk weder, waarop Paulus in een ander verband, vs. 25—29, terugkomt. Het is dus natuurlijk, vs. 16 met vs. 13 te verbinden: „Maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden (vs. 13), ten dage wanneer God

zal oortleelen Deze verbinding is van Lachmann,

Meyer, Oltramare. Ongetwijfeld vormen vs. 14, 15 dan een soort van tusschenzin, ofschoon men er daarom met Oltramare geen gebrek aan stijl in behoeft te zien, een gevolg van de weinige bedrevenheid van den apostel in het schrijven. Wij hebben ons reeds uitgesproken over den vorm, waarvan Paulus zich hier bedient. — Waarom legt de apostel hier nadruk op tx kpvtttx? Sommigen zien hierin een zinspeling op de innerlijke overleggingen, aan het slot van vs. 15 beschreven. Maar deze overleggingen vormen het voorspel en niet het object van het oordeel. Het komt mij voor, dat de apostel met deze woorden het reëele zedelijke leven wil stellen tegenover den uitwendigen schijn, de werken der wet of de ceremoniën, waarop de Joden hun vertrouwen stelden. Geen schijn van vroomheid en zedelijkheid zal op dien dag van waarheid het oog Gods bedriegen; Hij zal dan heiligheid des harten eischen: vgl. de uitdrukkingen (vs. 23) „de Jood die het in