is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vs. 17-29.

Hier begint de tweede helft van het hoofdstuk, bevattende de toepassing van het beginsel, in de eerste helft gesteld, dat van het ware oordeel. Na deze waarheid meer in het algemeen en min of meer in het afgetrokkene te hebben uiteengezet, richt Paulus zich tot den persoon, dien hij reeds van vs. 1 in het oog had, door hem bij zijnen naam te noemen. Evenwel blijft hij met de grootste verschooning voortgaan, want hij weet, dat hij met ingewortelde vooroordeelen te doen heeft, vooroordeelen, welke hij zelf geruimen tijd heeft gehad. Langzaam bereidt hij de slotsom voor, waartoe hij komen wil. Vandaar het ietwat gecompliceerde karakter van den volgenden zin, die de praemissen van die slotsom bevat.

y8i 17—20: „indien ') gij nu den naam draagt van

16). En de ingevoegde opmerkiug van vs. 14 dient om te «eggen, dat de gehoorzaamheid der bekeerde Heidenen juist de rechte is, omdat de gehoorzaamheid van Heidenen, die geen wet hebben, wel een gehoorzaamheid des harten moest zijn. Zoo hebben wij deze onderzoeking van meer dan dertig bladzijden begrepen; wij hopen: niet verkeerd. Wij twijfelen er aan, of de exegese van deze vernuftige opmerkingen veel voordeel hebben zal; zij zal wel niet zoo gemakkelijk toegeven: 1» dat zulk een gedwongen beteekenis kan

hebben al. hier wordt geleerd; vgl. 1 Kor. 11 «14; Gal. 4:8; Hf. 2::3; ÏO dat oïrivet op een ander antecedent kan slaan dan op het onmiddellijk voorafgaande oVro, van vs. 14; 3» dat het praesens IvhUvvvr*, betrekking kan hebben op het toekomend oordeel; 40 dat „het werk der wet geschreven in hunne harten" kan aanwijzen de gehoorzaamheid der bekeerde Heidenen, op den dag des oordeels geopenbaard; en 5» dat de laatste woorden van vs 15 den innerlijken strijd kunnen teekenen, die op den dag des oordeels, in het hart van den Heiden, het goedkeurend getuigenis in zijn geweten begeleiden zal. — Klostermann zegt; „Logisch kunnen enkele op zichzelf staande gevallen van gehoorzaamheid bij niet bekeerde Heidenen niets bewijzen voor et feit, dat in het hart der Heidenen in het algemeen een wet wordt gevonden, terwijl de teekening van hun bederf in H. 1 veeleer het niet-bestaan van deze wet aantoont". Het schijnt mij onnoodig, dit argument, hetwelk bij den schrijver de grond van zijn bestrijding der gewone exegese uitmaakt, e

wederleggen. -

1) De text. reo. leest met L iSe (zie); de overige getuigen hebben e< Se

(indien nu).