is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weiss, die eveneens den hoofdzin in vs. 21 vinden, maar de syntactische correctie van „dus" daardoor zoeken te rechtvaardigen, dat zij er een partikel van recapitulatie van maken. De werkelijke gedachtengang eischt, zooals Hofmann juist heeft ingezien, dat de verzen 21—24 niet minder

jjan 17 20 nog tot de praemissen der redeneering behooren ,

en dat de logische conclusie niet eerder dan na vs. 24 komt: „Als gij de wet bezit, ze aan de geheele wereld predikt "(vs. 17—20) en ze zelf zonder omwegen overtreedt ,

gelijk toch ongetwijfeld het geval is (vs. 21—24) ;

ziedaar de twee praemissen, die alleen vereenigd de conclusie in den hoofdzin kunnen motiveeren: gij zult in het gericht even goed veroordeeld worden als de Heiden. Deze hoofdzin moet als verzwegen worden gedacht tusschen vs. 24 en vs. 25. Wij zouden tegenwoordig eenige stippeltjes zetten. Paulus wil liever, dat een ander de conclusie maakt, dan dat hij het zelf doet. De fout van Hofmann is alleen, dat hij de inconsequentie begaat, in vs. 23 den hoofdzin te zoeken, welk vers toch blijkbaar niets anders is dan het vervolg'van vs. 21, 22. Wij zullen bij vs. 25 zien, hoe het woordje „want", waarmede de passage over de besnijdenis (vs. 25—29) begint, juist op deze verzwegen conclusie slaat.

De zinnen, die van „indien nu" afhaugen, vormen een dubbele rij: 1° de opsomming van de zegeningen, waarin de Jood zich verheugt, vs. 17-20, en 2° die van de tegenspraak tusschen zijne zegeningen en zijn gedrag, vs. 21—24; in dit laatste liggen de motieven van het oordeel, hetwelk zich wel aan het geweten van den Jood opdringen moet.

De zegeningen worden in drie groepen verdeeld: vooreerst de door den Jood ontvangen voorrechten (vs. 17); verder de daaruit voortvloeiende hoogere gaven (vs. 18); ten laatste de houding, die hij tegenover andere menschen meent te moeten aannemen (vs. 19, t20). Er ligt een zekere ironie in die

opsomming.

Vs. 17. De uitdrukking „gij Jood" is eenvoudig een oratorische vorm. Paulus denkt er niet aan, zich tot joodschchristelijke leden der gemeente te richten. De naam Jood,