is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schijn, volgens het betwistbare voorbeeld van 2 lim. 3:5, in den zin van: „hoewel gij slechts de schaduw der kennis hebt". De gedachtengang van het stuk noopt ons echter aan een voorrecht te denken, hetwelk het pralen van den Jood (vs. 19, 20) verklaart, „als die alleen de waarheid en hare juiste formule bezit". Dezelfde uitlegger is op de gedachte gekomen, „in de wet" van de twee voorafgaande substantiva te laten afhangen: „de kennis en de waarheid (die zich bevinden) in de wet". Dan had echter het art.

niet mogen ontbreken. Beter volgens het verband is, „in de wet" met „bezitten" te verbinden.

y8. 21—24: „en als gij dan, die een ander leert, uzelven niet leert; als gij, die predikt dat men niet stelen mag, steelt; 22 als gij, die zegt dat men geen overspel doen mag, overspel doet; als gij, die de afgoden verfoeit, tempelroof pleegt; x) 23 als gij, die roemt in de wet, God door de overtreding der wet onteert, 24 want de naam Gods wordt om uwentwil gelasterd onder de Heidenen, gelijk er geschreven staat — '

Ziehier de tegenspraak tusschen de theoretische kennis en het praktisch gedrag van den Jood (vs. 21—24). Ow stelt ironisch de werkelijke vrucht, welke de Jood van zijn kennis der wet heeft, tegenover die, welke een zoodanig voorrecht moest voortbrengen. Het woord „leeren" (vs. 21) omvat al de onderscheidingen, welke de Jood zich tegenover de andere menschen aanmatigt. 'O lil&vxuv: gij. de leermeester der wereld! De apostel kiest twee voorbeelden uit de tweede tafel der wet, diefstal en overspel, en twee uit de eerste,

1) Baljon (t. a. p. 6) leest in navolging van Bentley: itfolvrüt voor ieporvAiit. Michelsen (Studiën VII, 167) vraagt of /eporvAsTv niet zou kunnen beteekenen „heiligschennis plegen".