is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de ontwijding van het heilige en het onteeren van Gods naam. Het begrip „stelen" omvat al de ongerechtigheden en bedriegerijen, waaraan de Joden zich in hun handelszaken schuldig maakten. Er ligt in K»pv<r<rav iets gebiedends, dat den volgenden infinitivus verklaart, zonder dat men hlv er bij behoeft te denken.

Vs. 22. Overspel is een zonde, die de Talmud bij de drie beroemdste rabbijnen, Akiba, Mehir en Eleazar constateertZinnelijkheid is eene van de kenmerkende trekken van het semietische ras. Het rooven van heilige dingen kan niet betrekking hebben op den eeredienst te Jeruzalem, zooals b.v. de weigering om de tempelbelasting te betalen, het brengen van gebrekkige offerdieren, het ontvreemden van geld, dat voor den tempel bestemd was. Evenmin kan hier sprake zijn van het onteeren Gods door eigengerechtigheid of hoogmoed (Luther, Calvijn, BeDgel, e. a.). Het onderwerp van den zin „gij> die een afschuw hebt van de afgoden, bewijst duidelijk, dat Paulus denkt aan het berooven van tempels en wel van afgodstempels. De bedoeling is: „Uw afschuw voor afgoderij gaat niet zoover, dat hij u verhindert de kostbaarheden, die bij den heidenschen eeredienst in gebruik zijn, uzelven toe te eigenen"; of, om met Klostermann te spreken: „de Jood verafschuwt het goud en het zilver, in zoover het strekt om God voor te stellen, maar desniettegenstaande begeert hij het toch". Waarschijnlijk plunderden de Joden de heidensche tempels niet zelf >), maar deden zij hierbij helersdienst: vgl. Hand. 19:37.

De vragende vorm gaat door in vs. 23. Hij wordt eerst afgebroken door de aanhaling van vs; 25. Gods naam wordt onteerd door het winstbejag der Joden, door hun bedriegerijen en huichelarij, welke de Heideneü, in wier midden zij leefden, maar al te gemakkelijk in het oog vielen.

In vs. 24 lascht Paulus het profetische verwijt in zijn eigen woorden in maar doet onmiddellijk uitkomen, dat het

1) Ygl. Pelitzsch, Paulus des Apostels Brief an die Kömer in das He braische übersetzt, S. 77.