Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een aanhaling uit de H. Schrift is „zooals er geschreven staat". Hij doelt op Jes. 52: 5, hetwelk meer naar de letter dan naar den geest met onzen tekst overeenkomt, en misschien ook op Ez. 36: 18—24. Beide plaatsen hebben betrekking op de spotternijen der Heidenen, die God beschuldigden, dat Hij Zijn volk niet tegen hen had kunnen beschermen. Maar aangezien het Israël's zonden zijn, welke zijn onheilen bewerkt hebben, blijft de toepassing van den apostel toch van kracht.

Wij hebben het geheele stuk vs. 17—24 als afhankelijk beschouwd van e! Sé (vs. 17): „Indien gij nu den naam draagt

van (vs. 17—20), en als gij dan, die een ander

leert, uzelven niet (vs. 21—25)'. De hoofdzin

kan er gemakkelijk worden bijgedacht: „waartoe zal u dan die wet dienen, waarop gij u tegenover de anderen zooveel laat voorstaan, maar die gij zelf zoo brutaal overtreedt? Zij zal u veroordeelen, in plaats van u te redden." Op deze verzwegen conclusie slaat „want" van vs. 25: „want op de besnijdenis behoeft gij tot uwe verontschuldiging niet te rekenen; zij zal u evenmin helpen als het bezit der wet"

(V8i 25 29). Paulus ontrukt hiermede den Jood den laatsten

steun, waarmede hij meende het oordeel met gerustheid te kunnen tegengaan.

Va, 25—27: „Want de besnijdenis is wel nuttig, zoo gij de wet doet; maar zoo gij een overtreder der wet zijt, is uwe besnijdenis onbesnedenheid geworden. 26 Zoo dan de onbesnedene de inzettingen der wet bewaart, zal zijn onbesnedenheid hem niet tot besnijdenis gerekend worden? 27 En zal hij, die van nature onbesneden de wet volbrengt, u niet oordeelen, u, die met letter en besnijdenis een overtreder der wet zijt?"

De besnijdenis was het zegel des verbonds. Dientengevolge beschouwden de rabbijnen ze dikwijls als een onfeilbaar

Sluiten