Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is de besnijdenis des harten, in den Geest, niet naar de letter; en zijn lof komt niet van de menschen maar van God."

Het beginsel, dat God het hart aanziet, is de grondslag van het bijbelsch spiritualisme: vgl. Lev. 26:41; Deut. 10: 16; Jer. 4: 14; 1 Sam. 16: 7. Daarom kan de apostel het tot het uitgangspunt van zijn bewijsvoering maken. De woorden, waarop het aankomt, zijn: èv tq xpinrTÜ en xxpiïlxs èv TTvevfixn. Paulus heeft er zelf in vs. 16 aan herinnerd, dat op den dag des oordeels het oordeel vooral over de verborgen dingen des menschen zou gaan. De grammatikale constructie van deze beide verzen kan slechts op één wijze natuurlijk worden verklaard. In vs. 28 moet men de beide onderwerpen, 'louZxïo; en iripnoftj, ontleenen aan het gezegde; en in vs. 29 de twee praedikaten, 'lou§«?a? («Vr/) en irepnoixti {ton), aan het subject. De bepaling Kxpïixq is genit. object, „de besnijdenis, die het hart reinigt". 'Ev mev/axti kan niet beteekenen' „overeenkomstig den geest der wet" (Oltramare). Want deze beteekenis van het woord „geest" is vreemd aan het bijbelsch spraakgebruik; ook zou deze tweede bepaling, aldus opgevat, niets anders zijn dan een herhaling van de eerste (KxpMxc). Reeds onder het Oude Verbond kon de geloovige Israëliet de hulp van den Heiligen Geest ondervinden (Ps. 51 : 12, 13), hoeveel te meer de Heiden, die geloovig was geworden! Hij is de ware besnijdenis door den Geest (Fil. 3 : 3). Terwijl de Geest hem van binnen vernieuwt, is de letter een uitwendige regel, die noch het hart, noch den wil verandert: vgl. H. 7:6. Meyer maakt van ou •) een neutrum, hetwelk op het Jodendom in het algemeen zou slaan. Maar waarom had Paulus moeten zeggen, dat de lof van het Jodendom niet komt van de menschen maar van God? Dat sprak wel vanzelf, daar God het volk had gemaakt tot hetgeen het geworden was en de andere volken het verachtten. Het pronomen behoort bij het voorafgaande

1) Weiisacker: wo. Godit/Jonker, Romeinen.

13

Sluiten