Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3°. Maar wanneer God zich zoo van de zonde van den mensch (in 't bijzonder van den Jood) bedient om Zich te verheerlijken, hoe kan Hij dan nog den zondaar (in 't bijzonder den Jood) tot voorwerp van Zijn toorn maken (H. 2:5)? Antwoord: Zoo het goede, hetwelk God uit de zonde van den mensch doet voortkomen, Hem verhinderde, de zondaren te straffen, zou het eindoordeel der wereld onmogelijk zijn (vs. 6—8).

Wij hebben aldus drie hoofdgedachten: 1°. De Jood heeft voorrechten. 2°. Zijn ontrouw had niet tengevolge, dat die voorrechten zijn teruggenomen; juist die ontrouw zal de trouw van God jegens Israël te heerlijker doen uitkomen. 3°. Desniettemin blijft het rechtvaardig oordeel over iederen zondaar, Jood en Heiden. Men ziet hoe consequent, ja, hoe streng de bewijsvoering is, alsmede, dat de apostel de in H. 2 behandelde quaestie geen oogenblik uit het oog verliest, gelijk Oltramare wil, alsof de Jood, hoe hij zich ook gedrage, tegen den toekomenden toorn gevrijwaard was. Hier een tegenstander, een Jood of een Christen uit de Joden, te doen optreden, zooals vele uitleggers gedaan hebben, is niet noodig. Paulus bedient zich niet van de formule „maar, zal iemand zeggen", welke hij anders gebruikt. De tegenwerpingen komen vanzelf uit zijne beweringen voort. Hij geeft eenvoudig het woord aan zijn eigen logika.

Vs. 1, 2: „Wat is dan het voordeel van den Jood of wat is het nut der besnijdenis? 2 Groot in elk opzicht; vooreerst *) dit, dat hun de woorden Gods zijn toevertrouwd."

Men stemde algemeen toe, dat het uitverkoren volk op de Heidenen voor moest hebben; vandaar hetlidw. vóór irepurao'v, voordeel. Het drukt uit wat de Joden meer hadden dan de

1) EDEfl Syrscb Italiq. iaten yup weg, dat andere HSS. (ook de teit. ree.) na ntv lezen.

13*

Sluiten