is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

anderen. Wanneer zij naar hetzelfde recht als de Heidenen zouden geoordeeld worden, wat hadden zij dan (bui*) meer dan de anderen ? De tweede vraag handelt over het uitwendig teeken van Israël's verkiezing, de besnijdenis. „Zal het volk, dat door God met het bondsteeken begenadigd is, als de andere volken behandeld worden?" Het is alsof een naamchristen van den tegenwoordigen tijd, met het oog op den oordeelsdag, aan den prediker vraagt, waartoe zijn geloof en zijn doop dienen, wanneer zij hem niet voor de verdoemenis beveiligen.

Vs. 2. Het voordeel van den Jood, ofschoon hem niet reddende van het oordeel, was toch bijzonder groot. Het adj. TröAtJ, door ons vertaald met groot, beteekent eigenlijk talrijk. Als neutrum slaat het op het subject van de eerste vraag; de tweede is eigenlijk slechts een aanhangsel om de eerste nader te bepalen. Door er bij te voegen „in elk opzicht wil Paulus zeggen, dat het voordeel niet alleen belangrijk is, maar zich ook over alle verhoudingen van het leven uitstrekt (Morison1)): vgl. H. 9:1—4. Uit de talrijke en verschillende voordeelen noemt hij er slechts één, hetwelk hem voorkomt het voornaamste te zijn. Tholuck, Philippi, Meyer e. a. meenen, dat de apostel, toen hij „eerst' schreef, voornemens was, al de andere voorrechten op te noemen, maar dat hij zich door het volgende van de eigenlijke uiteenzetting zijner gedachte liet afbrengen. Men haalt daarbij als voorbeelden aan: H. 1:8 v.; 1 Kor. 6:12, 13; 11: 18 v. Maar de apostel had een te logischen geest en zijne geschriften zijn kennelijk te veel vrucht van nadenken, dan dat men zulke onderbrekingen in den gang der redeneering mag aannemen. 2) Ook kunnen de aangehaalde plaatsen niet als bewijs gelden. Anderen meenen, dat men aan „vooreerst" de beteekenis kan geven van „voornamelijk"; het grieksch

1) Critical eiposition of the third chapter of Paul'a Epistle to the Ro-

mans, 1866. . ..

2) Met bescheidenheid vraagt de vertaler, of Godet m zijn protest tegen

het aannemen van onregelmatigheden in den vorm niet te ver gaat en over het hoofd ziet, dat Paulus den brief dicteert.