is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft daarvoor echter een ander woord. De voorafgaande woorden „in elk opzicht" brengen ons op den goeden weg; zij willen zeggen: „Ik zou over dit punt lang kunnen uitweiden, maar ik zal mij tot het voornaamste bepalen". Paulus was dus niet voornemens, nog andere voorrechten te noemen; hij behoefde het ook niet te doen; dat ééne was genoeg, omdat daaruit al het andere voortvloeide. Het partikel pèv mist in het volgende zijn gewoon pendant (Sé). Het wil zeggen: „Wanneer dit voorrecht het eenige was, zou de superioriteit van tien Jood er niets! minder om zijn". Als men yip handhaaft, moet men het volgende Sri vertalen door „omdat"; het is natuurlijker, het weg te laten en ort door „daarin dat" te vertalen. Het voorrecht nu, hetwelk al de andere overtreft en insluit, is, dat de Joden de dragers der Goddelijke openbaringen zijn. Het onderwerp van iirivTsuSiitruv is het verzwegen o't 'loudxïoi; zie dezelfde constructie 1 Kor. 9: 17. De beteekenis van het passivum is eigenlijk „zóó getrouw te worden geacht, dat men u iets ter bewaring durft toevertrouwen". Het toevertrouwde nu bestaat in „de woorden Gods". Aóyiov heeft een hoogere beteekenis dan xèyoi, waarvan het geenszins een diminutief is (Philippi), want het komt van het adj. Xoyios, welsprekend. Het duidt altijd, ook bij de klassieken, een Goddelijk woord aan: vgl. Hand. 7 : 38, de wet van Mozes; Hebr. 5 :12, de openbaring van het evangelie; 1 Petr. 4:11, de onmiddellijke Goddelijke mededeelingen, welke de gemeente destijds ontving. Hier, waar in 't algemeen van de voorrechten der Joden sprake is, slaat het op het geheele O. T., in 't bijzonder op de messiaansche beloften (Volkmar, Grafe e. a.). Wanneer Paulus in bijzonderheden had willen ontwikkelen den heilzamen, godsdienstig-zedelijken invloed der Goddelijke openbaringen op het nationale, huiselijke en persoonlijke leven van Israël, had hij natuurlijk nog zeer veel kunnen noemen. Maar dan zou hij van zijn eigenlijk onderwerp zijn afgedwaald. Daarom noemt hij alleen het voornaamste. — Dit is het eerste punt van de redeneering. Maar terstond vermoedt de apostel een tegenwerping: is dat voorrecht, het bezit der messiaansche be-