is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leugen en de Goddelijke waarheid oogenschijnlijk een onoplosbaar conflict doen ontstaan. God heeft beloofd en het is Hem door den mensch zeiven onmogelijk gemaakt, Zijn belofte te houden! Maar dit conflict zal op een verheerlijking van de trouw Gods uitloopen. Het eindresultaat wordt in het tweede deel van het vers samengevat in een woord van David, hetwelk hem eens bij een dergelijk conflict over de lippen kwam. Door een gruwelijke leugen en een vreeselijke misdaad had hij, ondanks de beloften aan hem en zijn geslacht, de verwerping van voor Gods aangezicht verdiend. God was tegenover hem in dezelfde moeielijke verhouding als thans tegenover Israël. Die verhouding was gewild, zegt David (Ps. 51:6), „opdat God rechtvaardig zij in Zijn spreken". Het scheen vele vertalers (Osterwald, Oltramare) onmogelijk, dit „opdat" te handhaven. Had David kunnen zeggen, dat hij moest zondigen om de reinheid van het wezen Gods in het licht te stellen? Een zoodanige verklaring zou veeleer de eer Gods aanranden. Men heeft daarom oirat vertaald door „zoodat", tengevolge waarvan er niet meer sprake was van een doel, maar van een gevolg. Deze beteekenis kan natuurlijk niet worden toegelaten (zie H. 1:20), Hengstenberg en Philippi maken onderscheid tusschen David's zondigen wil en de wijze, waarop David's wil zijn doel bereikte: het eerste treft David alleen, het tweede is de zaak der Voorzienigheid, die de dingen tot het voorgestelde doel leidde — een theologische onderscheiding, welke bij den psalmist niet mag worden ondersteld. Wanneer de zonde als zoodanig den mensch duidelijk wordt, moet hijzelf op het vonnis van God „amen" zeggen. Zóó zijn eigen onrecht te erkennen, dat God recht hebbe en recht houde, daarin bestaat het wezen der rechtvaardigheid. Wanneer echter de zelfbeschuldiging des zondaars de Goddelijke rechtvaardigheid billijkt, moet alle menschelijke zonde ten slotte op verheerlijking van God uitloopen (Delitzsch). „Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in Uwe woorden" heeft betrekking op de verwerping van het volk Israël. In het hebr. beteekent het tweede zindeel: „en Gij rein zijt in Uw richten . De