is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moest Paulus natuurlijk met de laatste tegenstelling beginnen. Door de vraag uit te breiden, had hij er de tweede voor in de plaats gesteld. Hij komt nu tot een nog meer algemeene antithese, de tegenstelling tusschen de menschelijke ongerechtigheid en de gerechtigheid Gods, welke Gods waarachtigheid (vs. 4) insluit, gelijk deze Zijn trouw (vs. 3). Deze nieuwe uitdrukking is door hem blijkbaar ontleend aan het woord: „opdat Gij gerechtvaardigd wordt in het citaat uit den psalm (vs. 4). „Gerechtigheid" kan hier dus niet de vergeldende gerechtigheid van God zijn, noch, zooals Van Hengel meent, de gerechtigheid des geloofs, die aan den mensch gegeven wordt; de tegenstelling met de menschelijke ongerechtigheid bevestigt het. — ~ï.uvi<nxvcit beteekent eigenlijk „samenstellen", vandaar „vaststellen , en in logischen zin „bewijzen". De vraag tI ipoüpev wordt in geen anderen brief van den apostel gevonden; in dezen nog zes malen (H. 4:1; 6:1; 7:7; 8:31; 9:14, 30). Een geschikte aanleiding voor zekere kritiek om de echtheid van den brief te betwisten! Van Manen (t. a. p. 172) vindt reeds het meervoud verdacht: de schrijver viel uit zijn rol en deed zich voor als iemand, die later leefde en optrad onder het masker: Paulus; hij was Paulus niet; hij was de vertegenwoordiger van een partij! Waarschijnlijk heeft de apostel den vorm van een vraag gekozen om de aandacht van de lezers te trekken. — De toorn ontbrandt over alle zondaren, in 't bijzonder over de Joden (H. 2:4, 5). Er ligt altijd iets stuitends in de verbinding van het begrip „ongerechtigheid" met het Goddelijk wezen, al is het maar bij wijze van onderstelling; ook ligt er iets stuitends in de vraag: „Is God dan onrechtvaardig?" Echter doet w reeds een ontkennend antwoord verwachten; bovendien haast Paulus zich, te schrijven: „ik spreek naar den mensch , d. w. z. zooals iemand doet, die bij het ondoorgrondelijke der Goddelijke kastijdingen naar de stem van zijn natuurlijk gevoel luistert. Deze gewone beteekenis is te verkiezen boven die van Oltramare: „ik spreek van God, zooals de menschen van elkander spreken." Hofmann brengt deze opmerking