Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tholuck, Hofmann moet aannemen, dat dit slaat op de lasteraars, die het oordeel verdienden, zooals de pericope en het geheele voorafgaande hoofdstuk heeft aangetoond. Dan grijpt de apostel niet naar een verwensching bij gebrek aan bewijs; hij heeft eerst aan alle eischen der logica recht doen wedervaren. x)

1) Lipsius heeft in de „Protestantenbibel" een verklaring van dit stuk gegeven, die wij niet stilzwijgend mogen voorbijgaan. Vs. 1: Paulus vraagt aan zijn joodsch-christelijken tegenstander, wat dan het voorrecht is van den Jood boven den Heiden. Hij onderstelt natuurlijk, dat de Joden geen voorrechten hebben. — Vs. 2 en 3: De joodseh-christelijke tegenstander antwoordt integendeel, dat de Jood in de eerste plaats het voorrecht heeft van het bezit der Goddelijke openbaringen, een voorrecht, dat, in aanmerking genomen de trouw Gods, niet kan worden tenietgedaan door het feit, dat de Joden niet in den Messias hebben geloofd. Vervolgens wil hij voortgaan met de andere voorrechten der Joden op te noemen, maar Paulus valt hem in do rede. — Vs. 4: Paulus antwoordt: Stellig niet; God kan niet [ontrouw zijn aan Zijue beloften; de leugen van Israël zal integendeel Zijn waarachtigheid des te meer doen uitkomen (gelijk ook de psalmist zegt), in dien zin, dat God juist door de verwerping der Joden de Heidenen zal brengen tot de zaligheid, die uit het geloof is (H. 9—11). — Vs. 5: Een nieuwe tegenwerping van den Christen uit de Joden: Indien de ongerechtigheid der Joden dienen moetom de gerechtigheid, dia God om niet geeft aan het geloof, in het rechte licht te stellen, volgt dan daaruit niet, dat God onrechtvaardig zou doen met tegen hen te toornen en hen te straffeu? — Vs. 6: Paulus antwoordt: Geenszins; want God kan, als rechter der wereld, het ongeloof der Joden niet ongestraft laten. — V». 7 en 8: De tegenstander zoekt zijn stelling (van vs. 5) nog te verdedigen: Als mijn leugen in Gods hand het middel is geweest om de waarheid Gods te verbreiden, waarom moet ik, Jood, dan nog, evenals de zondige Heidenen, door het oordeel getroffen worden? Hier (vs. 8) gaat de rede van den tegenstander ongemerkt in die van den apostel over. En terwijl Paulus voor een oogenMik het in vs. 7 beweerde aanneemt, gaat hij voort met te zeggen: Zouden wij iu dat geval niet moeten doen zooals men lastert, dat wij doen en leeren? Met de laatste woorden „wier oordeel " breekt hij dan het onderhoud af door de straf van hen, die

als de ongeloovige Joden een zoo godslasterlijke meening kunnen hebben, voor rechtvaardig te verklaren. — Wij hebben zoo duidelijk als ons mogelijk was deie vernuftige verklaring weergegeven. Naar ons voorkomt, is zij reeds aan het begin in strijd met het verband tusschen vs. 1 en 2; in het midden met het verband tusschen vs. 4 en 5, terwijl ook de beteekenis van „gerechtigheid Gods" niet kan worden toegelaten; later, met het verband tusschen vs. 7 en vs. 5, 6; terwijl het aan het slot onmogelijk is, dat een ongeloovige Jood ook maar onderstelt, dat zijn ongeloof heeft moeten dienen om dc plannen van God met de Heidenen ten uitvoer te brengen. — Deze verklaring zal moeten bewijzen, dat de lezers van den brief van huis uit Joden waren.

GoDKT/JoNKrn, Romeinen. .14

Sluiten