is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVENDE STUK.

H. 3:9—20.

De algemeene veroordeeling, door de Schrift bevestigd.

Eerst formuleert Paulus het resultaat (vs. 9), daarna bevestigt hij het door een aantal woorden uit de Schrift (vs. 10—18) en trekt vervolgens zijn conclusie (vs. 19,20), die tegelijk den overgang vormt tot het volgende onderwerp.

Vs. 9: „Wat dan? Hebben wjj iets voor ')? Niet in alle opzichten 2). Want wij hebben te voren zoowel Joden als Grieken aangeklaagd 3), dat zij allen onder de zonde zijn." 4)

De woorden t/ ovv vormen een afzonderlijken zin. Sommigen verbinden ze met het volgende werkwoord en maken van de twee vragen één. Maar zoo r/ het object was van irpoe%ó[*e6x, moest het antwoord zijn otöév en niet ou, hetwelk op de handeling, niet op het object slaat. Waarschijnlijk heeft de lezing van AL itfoexutAeix (conjunct, deliberat.) „Wat zouden wij kunnen voorhebben?" aan deze verkeerde constructie haar ontstaan te danken. De vraag: „Wat dan ? beteekent: «Hoe is dan de stand van zaken? blijkbaar met het oog op het punt, dat vs. 1 aan de orde kwam. Het antwoord volgt vanzelf uit het voorafgaande — geenszins een uitweiding —; met „dan" noodigt Paulus den lezer uit, het zelf te formuleeren. Daarom vat hij met één woord de vraag van vs. 1 weder op: irpoixo^*. Dit werkwoord wordt op verschillende wijzen verklaard. In het activum kan het

1) In plaats van irpot xc/icia leien AL ie pofjgupifo; D G xpoKXTex°IM tepirirov. Venema en Linwood lezen rtptx0^-

2) DOP laten ou vxvriaf weg.

3) D O leien iirixrccixeSx, in plaats van vpo^Tiatretiieioi.

4) Volgens de „Verisimilia" zijn vs. 9, 20, 21, 26') Tan joodschen oorsprong.

14*