is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beteekenen: vóór-houden (om te beschermen); of wel: aan het hoofd staan, iets voor hebben, voorgaan, nposx^xi, in de eerste beteekenis genomen, zou als passivumi beteekenen: Worden wij, Joden, beschermd (tegen het gericht). Maar deze vorm is in het griekscli niet gebruikelijk. In het medium zou het zijn: „Kunnen wij ons beschermen (tegen het gericht)?" Deze beteekenis komt overeen met het grieksche spraakgebruik. Men zegt: irpouxevéxi vó/mv, xpóqxw,, met een wet, een voorwendsel, zich verontschuldigen. Hier: „\\elke reden kunnen wij laten gelden?" Maar in deze beteekenis van het medium heeft het werkwoord altijd een voorwerp; men zou dan ri van irpoixfod* moeten laten afhangen, maar wij hebben reeds gezien, dat dat niet kan. Daarom is deze beteekenis van jrpofarixt, die door Meyer, Ewald, Monson, Reuss, Holsten, Godet (1® ed.) *) wordt voorgestaan, verwerpelijk. Volgens de tweede beteekenis zou het werkwoord, in het passivum, beteekenen: „Worden wij overtroffen (wij, Joden door de Heidenen)?" Maar deze beteekenis, door Wetstein, Matthias, Lightfoot aangenomen (Revised Version: are we in worse case than they?) schrijdt de conclusie, die men uit het voorafgaande trekken kan, verre voorbij. Uit vs- i 8 volgt wel, dat de Joden ten opzichte van het oordeel met de Heidenen gelijkstaan, maar niet, dat de Heidenen de Joden overtreffen. Of men zou met Van Manen (t. a. p. 186 187) moeten denken aan een Griek, die, voor een «ogenblik vergetende dat hij spreekt als ware hij de gewezen Jood Paulus, vraagt: „Wat dan? Worden wij (Grieken) overtroffen (door de Joden, van wier voorrechten wij zooeven, vs. 1-2, gewaagden)?" De beteekenis: „Worden wij voorgetrokken?" (Reiche en Olshausen) is grammatikaal niet toe te laten. Er blijft dus niet anders over dan de tweede beteekenis in den vorm van het medium, welke hier zeer goed past: „Hebben wij iets voor?" of, om het medium beter terug te geven: „Kunnen wij iets dat wij voor hebben ten

1) Wood: Are we acreening ourselves frorn guilt, excuaing our iniquit, ? Weizsacker: Schieben wir da etwaa vor?