is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewone beteekenis van ou nxvrui in het verband past, gelijk hier, verdient zij de voorkeur. Het voorrecht van Israël (vs. 2) is en blijft reëel; maar het is slechts relatief en geeft aan dit volk geenszins een afzonderlijke plaats in de zondige menschheid. Het antwoord „niet in alle opzichten" past uitnemend bij deze gedachte; het komt overeen met vs. evenals met vs. 1 „hebben wij iets voor?" *)

In weerwil van hunne theokratische voorrechten staan de Joden in dezelfde verhouding tegenover het oordeel Gods als de Heidenen. Het wordt uitgedrukt in de woorden:

„Want wij hebben te voren aangeklaagd Het

woord x'iTixvixi is aan het rechtswezen ontleend. Zie over irpo: irpoèypxtyx, Ef. 3 : 3. Deze praep. herinnert aan H. 1, 2. De uitdrukking „aanklagen" schijnt zwak, maar wordt door de volgende uitspraken der Schrift verklaard. Zoolang de Schrift, de opperste rechter, niet gesproken heeft, is de apostel niet meer dan een aanklager. „Onder de zonde zijn beteekent niet alleen: „onder de verantwoordelijkheid (schuld) der bedreven zonden verkeeren", maar ook: „onder de macht der zonde zelf zijn", welke, als een voortdurend werkzaam beginsel, deze schuld aldoor verzwaart. Deze twee beteekenissen, de zonde als schuld en de zonde als macht, worden beide door het verband geëischt, de eerste met het oog op het voorgaande, de tweede met het oog op het volgende. De toorn Gods vindt immers niet alleen zijn grond in e bedreven zonden, maar ook en bovenal in het be er er menschelijke natuur, zooals de Schrift het leert. u 1S ® woord aan den rechter. De verzen 10—18 bevatten de overwegingen van de acte van beschuldiging; vs. » geven het vonnis.

1) Opmerking verdient de verklaring von Prof. Cramer (Exegetica et Critica III bl. 49 t.), die met a L en Valckenaer leest r/ouv hiermede 'verbindt, ol met het volgende vereenigt, met Dy (.weglaat, ri als een vraagwoord opvat, en vertaalt: „Wat «ouden w,j dan tot onze verontschuldiging kunnen aanvoeren? Hebben wij met in alle opk ickten allen te gader vroeger aangeklaagd, Joden zoowel als Heidenen, dat zg onder de zonde waren?" Zie Micbelsen (Stud. VII, 167).