is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den mensch in het algemeen, zoolang hij nog niet onder den invloed der Goddelijke genade is. — Het 10® vers geeft de meest algemeene formule. De twee volgende uitdrukkingen (vs. 11) hebben een meer bijzondere beteekenis. De eerste heeft betrekking op het verstand: de kennis van den Schepper en Zijne werken; de tweede op den wil: het verlangen naar gemeenschap met dit volmaakte Wezen. De sinait. leest met de meeste majusc. vóór de beide participia het art. ó, hetwelk de Sept. niet heeft. Het is zeker echt en werd in sommige HSS. onder den invloed van de Sept.

weggelaten. In den psalm zoekt God een verstandige ;

in onzen brief vindt hij hem niet. Het art. is hier even natuurlijk als daar de omissie. — Men kan accentueeren auvtüv, als ongebruikelijke part. van truviéw, of cuvicov, van het werkwoord irvviu, hetwelk dikwijls voor rvvlwt in de plaats komt. Waar het positieve goed (het zoeken van God) ontbreekt, komt het hart terstond onder de heerschappij van het kwaad; het is de toestand, welke in algemeene termen in vs. 12 geteekend wordt.

'EKKhiveiv, afwijken, op den verkeerden weg gaan, omdat men willens en wetens den goeden weg heeft verlaten (vs. 11). 'AxfeioïiJÓxi, onnut worden, ongeschikt voor het goede, komt overeen met het hebr. alach, bederven. — De zesde zin geeft, al resumeerende, de gedachte van den eersten zin terug. De menschheid gelijkt op een verdwaalde karavaan, die zich in een verkeerde richting beweegt en wier leden elkander niet weten te helpen (goeddoen).

Nu begint meer bijzonder de beschrijving van de menschelijke verkeerdheid, zooals die zich openbaart in het woord.

Ys. 13, 14: „Hun keel is een geopend graf; met hunne tongen hebben zij bedrog gepleegd; slangenveaijn is onder hunne lippen; 14 hun mond is vol vervloeking en bitterheid."

Deze vier zinnen beschrijven den schadelijken invloed van de verschillende organen van het woord onder de heerschappij