Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet op de rechtvaardigen zeiven. Paulus weet dit zeer wel, maar heeft nochtans het recht om ze op allen toe te passen, gelijk hij gedaan heeft:

Vs. 19, 20: „Nu weten wij, dat alwat de wet zegt *), zij het zegt 2) voor hen die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt worde en de geheele wereld zij onder het oordeel van God; 20 aangezien uit de werken der wet geen vleesch voor Hem zal gerechtvaardigd worden, want door de wet is de kennis der zonde."

Met „wij weten" doet Paulus, evenals in H. 2:2, een beroep op het gezond verstand zijner lezers. Wanneer het O. T. den Joden de boosheid der Heidenen voorhoudt, wil het de eersten niet tegen de laatsten verbitteren, maar hen voor dezelfde zonden en hetzelfde oordeel waarschuwen. Zoodanige waarschuwingen hadden een tweeledig doel. Omdat zij gericht waren tot de Joden en zelfs tot de rechtvaardigsten onder hen, bewezen zij eensdeels, dat God in hun hart de kiemen van hetzelfde bederf bespeurde, anderdeels, dat Hij er de onvermijdelijke ontwikkeling van voorzag, wanneer zij zich niet trouw aan Hem hielden. — De wet staat hier voor het gansche O. T., omdat zij hiervan het hoofdbestanddeel is en het O. T. voor den Israëliet de levensregel was: vgl. Joh. 10:34; 1 Kor. 14:21 e. e. — Opmerkelijk is hier het onderscheid tusschen ï.iyeiv en het eerste heeft

betrekking op den inhoud, het tweede op het uitspreken der woorden. ' Oltramare e. a. meenen, dat Paulus niet het oog heeft op \le mozaïsche wet of op het O. T., omdat er in het vervolg sprake is van iederen mond, van de geheele wereld, van alle vleesch, uitdrukkingen, welke zoowel de Heidenen als de Joden omvatten, hetgeen er toe zou leiden,

1) N Or.: AaAei in plaats van Asyfi.

2) DFÖ: Aeyfi in plaats van AaAe/.

Sluiten