is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het beginsel der liefde, de ware vervulling der wet, ontbreekt; doode werken alzoo (Hebr. 6:1), die in Gods oogen geen waarde hebben. — De eerste verklaring moet zonder aarzelen worden verworpen, aangezien wij bij Paulus altijd, in overeenstemming met Mozes (Lev. 18:5), de opvatting vinden, dat „hij, die de wet zou volbrengen, daardoor zou gerechtvaardigd worden" (H. 2:13; 10:5; Gal. 3:12), en de wet bij den apostel aan het ideaal der volmaakte heiligheid beantwoordt; vgl. H. 7 :12. Volgens de tweede verklaring zou de schrijver alleen het oog hebben op hypothetische werken, welke de mensch nooit zal kunnen volbrengen. Echter krijgt men dezen indruk niet. Veeleer gevoelt men, dat Paulus, wanneer hij over „werken der wet" spreekt, iets reëels in het oog heeft, iets dat hij zelf bij ondervinding kent en dat hem zwaar op het hart weegt. Hij denkt aan de schijnbare vervulling der wet, waarmede hij zich zoo lang had tevreden gesteld; aan de werken, welke wel aan de letter maar niet aan de hoogere eischen der wet beantwoordden. Deze werken der wet worden niet uit liefde, maar uit vrees gedaan. Zij kunnen Gode niet behagen. In Fil. 3: 6 spreekt de apostel van de gerechtigheid, die hij onder de wet had en ten aanzien waarvan hij onberispelijk was. In vs. 8, 9 verklaart hij echter, dat hij deze gerechtigheid als schade, die werken als „vuilnis beschouwd heeft, en dat hij dit alles veracht heeft om „de gerechtigheid, die God aan het geloof schenkt, te grijpen. Inderdaad is de derde verklaring de juiste. Dan begrijpt men ook het meervoud „de werken der wet" of letterlijk „werken van wet", werken als men onder de heerschappij der wet volbrengt. De daden van gehoorzaamheid, waardoor de wet werkelijk vervuld werd, konden wel naar het uitwendige een veelheid vormen, maar in den grond der zaak waren zij één door de liefde, die ze inspireerde; vgl. H. 2: 15.

Theodoretus, Pelagius, Erasmus, Bucer, Semler e. a. meenen, dat Paulus hier alleen op ceremoniëele werken en niet op de zedelijke gehoorzaamheid doelt, en wel in dezen zin: „het is zeker, dat de geheele wereld geoordeeld is;