is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mede hij bevlekt is. Deze ontdekking der zonde door middel van de wet, zelfs in het meest onbesproken leven, beschrijft Paulus H. 7:7, waar hij zegt, dat het tiende gebod, het verbod der begeerlijkheid, hem de zonde van zijn hart leerde kennen. Deze werking der wet ontneemt den mensch elke illusie ten aanzien van de mogelijkheid om de gerechtigheid deelachtig te worden door! gehoorzaamheid aan de wet. — 'ET/yvacr/? wijst letterlijk aan de daad, waardoor men den vinger op iets legt, de experimenteele kennis van het een of ander.

Zoo is dan de apostel gekomen aan het einde van de bewijsvoering, in H. 1:18 aangekondigd: „De toorn Gods ligt op de tegenwoordige wereld". Hij heeft geen onderscheid gemaakt tusschen de z.g. groote en kleine zondaren, de goeden en de slechten. Het doel van dit eerste stuk van den brief is niet, de bedorvenheid der individuen te schetsen, maar het bewijs te leveren, dat de toorn Gods rust op de geheele wereld, zoowel op de joodsche als op de heidensche. Het resultaat is: De twee deelen, waaruit de menschheid bestaat, hebben, uit een godsdienstig oogpunt beschouwd, gelijkelijk behoefte aan het heil. Echter is dit heil van een geheel anderen aard dan de Joden zich voorstelden. Zij hoopten er op. Zij meenden, dat het voldoende was, wanneer ook de Heidenen kwamen onder de heerschappij van de mozaïsche wet. Terecht, in zoover de wet ook voor de Heidenen het middel was om hunne onreinheid duidelijker in te zien, niet, om zich te reinigen. — Paulus gaat nu over tot de ontwikkeling van het ware middel des heils, hetwelk God in Zijne barmhartigheid aan de veroordeelde wereld aanbiedt.

De gedachtengang van dit eerste stuk, volgens Hofmann en Volkmar.

Hofmann vindt de hoofdverdeeling van dit stuk tusschen het 4e en 5e vers van H. 3. Tot vs. 4 betoogt de apostel, dat de toorn Gods zoowel op de joodsche (H. 1 : 18 2: 8) als op de heidensche (H. 2:9—3:4) wereld rust; maar