Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daarna heeft hij het oog op de Christenen, in dezen zin: „Daar wij, Christenen (H. 3:5), wel weten, dat de zonde van den mensch, ook al dient zij tot verheerlijking Gods, naar recht kan geoordeeld worden (vs. 5—7), en daar wij niet leeren, zooals men ons verwijt, dat het goede, hetwelk God uit het kwade doet voortkomen, dit laatste verontschuldigt (vs. 8), buigen wij ons met de andere menschen onder de getuigenissen der Schrift, welke de zonde „algemeen" noemen, en passen wij op onszelven toe het veroordeelend vonnis, hetwelk de wet over de geheele wereld velt. Alleen blijven wij daarbij niet staan; wij weten gelukkig, dat er een gerechtigheid des geloofs is, waardoor wij aan den toorn kunnen ontsnappen". — Deze constructie moet op grond van de drie volgende overwegingen worden afgewezen: 1° De mensch, die H. 2:1 oordeelt, is reeds de Jood (zie de exegese). 2° De tegenwerping H. 3 : 5 is nauw aan de aanhaling uit Ps. 51 verbonden en kan niet het begin van een geheel nieuwe uiteenzetting zijn. 3° De vraag: „Wat dan, hebben wij iets voor (vs. 9)?" herinnert te duidelijk aan die van vs. 1 („Wat is dan het voorrecht van den Jood?") dan dat zij niet speciaal op de Joden betrekking zou hebben. Wij vinden dit ook bevestigd door het einde van vs. 9, waar de apostel het begin van dat vers aldus motiveert: „Want wij hebben zoowel Joden als Grieken aangeklaagd". Het is dus duidelijk, dat, evenals H. 1 van vs. 18 af den toorn Gods over de Heidenen beschrijft, H. 2 handelt over den toorn Gods jegens de Joden, en dat het stuk H. 3 : 1 —8 eenvoudig bestemd is om de tegenwerping te beantwoorden, welke de Jood uit zijn exceptioneele positie zou kunnen afleiden. — Volgens Volkmar beschrijft H. 1 van vs. 18 af den toorn Gods over elke zonde, en H. 2 den toorn Gods over eiken zondaar, zelfs over den Jood, in weerwil van zijne verontschuldigingen (H. 2:1—16), van zijne voorrechten, waarvan hij zedelijk niet weet te profiteeren (vs. 17—29), in weerwil ook van het grootste van alle voorrechten, het bezit der messiaansche beloften (H. 3 : 1—8). Volkmar laat hier, H. 3:9, een nieuw stuk beginnen, dat over de gerechtigheid

Godkt/Jonkeb, Romeinen. 15

Sluiten