is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1 :17).!) Ook hier is het lidwoord weggelaten, ah om aan te duiden, dat een toestand bedoeld wordt gelijk aan dien, welke door de uitdrukking wordt aangewezen. — Er is verschil tusschen Qxvcpovv en «7rcKX\üvrnv. Bij het eerste heeft men te denken aan een voorwerp, hetwelk tevoren niet opgemerkt is en waarop nu een licht valt; in het algemeen wijst het het openbaar worden van iets verborgens aan. Bij het tweede denke men aan een voorwerp, hetwelk met een sluier bedekt is, en dat men te voorschijn brengt door den sluier weg te nemen; dit woord duidt meer in het bijzonder aan wat in God verborgen was en wat Hij door openbaring bekend maakt (zie Hofmann). Hier staat het werkwoord in den verleden, H. 1 : 17 in den tegenwoordigen tijd. In H. 1 wil Paulus spreken van de voortdurende openbaring des heils door de apostolische prediking, terwijl het perf. hier wijst op een feit, dat eens voor altijd volbracht is, het offer van Christus (vs. 24—27).

De bedoeling van de tweede helft van het vers is deze: „De gerechtigheid Gods i3 ongetwijfeld zonder medewerking der wet openbaar geworden, maar niet zonder dat de wet en de profeten van haar getuigden". Het geheele O. T. bereidde deze nieuwe gerechtigheid voor. Aan de oude bedeeling kan men dus geen bezwaar tegen de nieuwe ontleenen. De apostel zal in het volgende stuk (vs. 27—4:25) aantoonen, hoe het O. T. van het evangelie getuigenis geeft.

1) Van Leeuwen (t. a. p. bl. 55 y.) denkt aan een eigenschap Gods: de eigenschap, krachtens welke Hij handelt naar een door Hemzelven gegeven norm. Vroeger richtte zich de gerechtigheid Gods naar de norm der wet, nu is de wet als norm van beoordeeling niet meer geldig: de xiVri? 'I. X. is er voor in de plaats gekomen Zie Michelsen (Zeitschrift für kirchliche Wissenschaft und kirchliches Leben, 1834); Schlatter (vooral bij H. 1 : 17); Fricke (Der paulinische Grundbegriff der Sixuioa-viiii SeoO, 1888); P. Kölbing (Theol. Stud. u. Krit. 1895); Sclinedermann (Der israelitische Hintergrund in der Lehre des Apostels Paulus von der Gottesgerechtigkeit aus Glauben, 1895); H. Beek (Neue Jahrbb. f. deutsche Theol. 1895); Sanday-Headlam en vooral Th. Haring (AiKuic<rvvy ScoO bei Paulua, 1S96). Ook Schmiedel is (in zijn bewerking van Winer's Grammatik) deze meening toegedaan, hoewel hij bij 2 Kor. 5:21 van ,,gottgesohenkte Gerechtigkeit" spreekt.