is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de toekomstige heerlijkheid gedacht (Beza, Morison, Reuss, Fricke). Oltramare wil een hypothetischen toestand: de heerlijkheid, welke de menschen zouden hebben gehad op grond van hunne eigen gerechtigheid, wanneer zij die hadden bezeten. Met het oog op den tegenw. tijd vrTepoüvTxt denke men liever aan den Goddelijken glans, die door de menschelijke natuur zou heen stralen, wanneer de mensch in een kinderlijke betrekking tot God stond. Zijn bestaan zou dan niet verstoord zijn, noch zedelijk door de bevlekking der zonde, noch physisch door de schande van den dood. Luther, Calvijn, Grotius, Tholuck, Lipsius denken aan de goedkeuring Gods, welke het deel is van den onschuldigen mensch. Men zou dan echter eerder ti/avi dan ver¬

wachten (H. 2:10). De gen. êsoü is tegelijk gen. possess. en gen. autoris: de heerlijkheid, die God bezit en mededeelt (zie Meyer en Hofmann). De mensch is een onttroonde koning. — Het gevolg van dit tekort van gerechtigheid en heerlijkheid ontwikkelt Paulus in het volgende vers. Het is niet des menschen ondergang; het is genade en heil om niet.

Ys. 24: „daar zij om niet gerechtvaardigd worden, door Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is,"

In vs. 21 en 22 had Paulus het nieuwe onderwerp, de rechtvaardiging door het geloof, aangekondigd. In vs. 23 had hij nog eens herinnerd aan het oordeel van het gansche menschelijke geslacht, waardoor deze rechtvaardiging noodzakelijk was geworden. Nu begint hij over die rechtvaardiging zelf te spreken. Maar, vreemd genoeg, hij gaat tot dit onderwerp, het centrale punt van zijn brief, over met een eenvoudig participium.

Riickert vindt het nogal onhandig, met de hoofdgedachte voor den dag te komen in een bijzin; hij meent evenals Calvijn e. a., dat men dit part. logisch als verbum finitum vertalen en van vs. 23 den bijzin maken moet: „Daar zij allen gelijkelijk de heerlijkheid Gods derven, worden zij om