is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze niet meer zie, b.v. Ex. 29: 36). In het N. T. komt het verbum twee malen voor; Luk. 18:13, waar de tollenaar tot God zegt: hxtrötin, wees mij genadig (d. i. vergeef mij); en Hebr. 2:17: fi? to !x&vkm&xi rits xpxprlxt, om de zonden van het volk te verzoenen. Elk der beide plaatsen geeft één van de twee beteekenissen terug, welke het woord in het O. T. heeft. 'IKxrxecöxt komt waarschijnlijk van 'hxac, genadig, hetwelk samenhangt met ïï.io;, ontferming. Origenes, Theophylactus, Erasmus, Luther, Calvijn, Grotius, Vitringa, de Statenvertaling en van de nieuweren Olshausen, Tholuck, Philippi, Ritschl, Böhmer e. a. denken bij 'axtrriipiov aan het verzoendeksel der ark (vgl. de Sept. en Hebr. 9 : 5). Dan zou het subst. ÏTTióey.x, deksel, verzwegen zijn. Bekend is, dat de hoogepriester op den grooten verzoendag dit verzoendeksel met bloed besprenkelde (Lev. 16:14 v.). Paulus zou het hier beschouwen als type van Christus, wiens vergoten bloed de zonden der wereld bedekt. Deze verklaring is niet aannemelijk. l) Vooreerst had, wanneer hier werkelijk sprake was van een bepaald, een bekend en geheel eenig voorwerp als het verzoendeksel, het lidw. ré niet mogen ontbreken. Ten andere beweegt de brief aan de Rom. zich niet als die aan de Hebr. in de levietische symboliek; niets heeft ons voorbereid op een uitdrukking, aan den israëlietischen eeredienst ontleend. Ten derde merkt Gess terecht op, dat men in dat geval deze en soortgelijke termen in de andere brieven van Paulus zou verwachten, daar de uitdrukking anders voor zijne lezers onverstaanbaar was. Ten vierde, hoe vreemd, den gekruisigden Jezus met een voorwerp uit den tabernakel te vergelijken, te meer daar, volgens een opmerking van Oltramare, de verzoenende kracht nooit aan het verzoendeksel maar eeniglijk en alleen aan de bloedbesprenging op het verzoendeksel verbonden was. Ten vijfde past vpoêitTo niet bij verzoendeksel, als men het neemt in de beteekenis van „van te voren stellen", want men kan den

1) Zie ook Kölbing, Theol. Stud. u. Krit. 1895, S. 19, 20; Riggenbach, a a. O. S. 13, 14.