is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eeuwigen raad Gods niet in verband brengen met een materiëel voorwerp of met zijn typische relatie tot Christus. Neemt men het in de beteekenis van „voor oogen stellen", dan kan het toch moeielijk gebezigd worden van het verzoendeksel in het heilige der heiligen. Van Leeuwen (t. a. p. bl. 67) denkt aan een opzettelijke tegenstelling. „Het verzoendeksel was alleen voor den hoogepriester genaakbaar en dan nog door een nevel van reukwerk omhuld. God heeft Christus openlijk ten toon gesteld." Zoo ook Ritschl, Schlatter. ') Maar met het verzoendeksel zoo gewelddadig aan de verborgenheid te onttrekken berooft men het van zijn eigenaardigheid. — Men moet dus foxtrTiipiov nemen in den zin van: zoenmiddel. Sommigen preciseeren meer en vertalen: zoenoffer (scil. Maar deze

beteekenis schijnt door de daarvoor aangehaalde voorbeelden niet voldoende gerechtvaardigd. Men vergelijke de kritiek van Morison, die 'ihxaTviptov houdt voor een adject. mascul., dat slaat op ov: „Jezus Christus, dien God voorgesteld heeft als den verzoenende". Dit is ook de verklaring van de Peschito, Thomas Aquinas, Erasmus, Melanchton, Fricke, Haussleiter en Sanday-Headlam. Onmogelijk is zij niet. Maar zou Paulus dan niet eerder het subst. 'ihxarfc hebben gebezigd? Ook vindt men wel den plur. 'ihxaryipix, maar nooit 'ihxarvipioi. Wij houden ons dus liever aan de gewone verklaring, volgens welke 'iXxaTvipiov een onzijdig subst. is (eig. het neutr. van het adj.; vgl. fcorvjpiov, ^xpiJTyptov enz.). Wat het begrip „offei betreft, als dit niet in het woord zelf ligt, wordt het toch aan de hand gedaan door de uitdrukking „door zijn bloed . Want een zoenmiddel door bloed, wat is het anders dan een zoenoffer? — Misschien vraagt iemand: Wanneer God Zelf door Zijn genade dit zoenmiddel geeft, onderstelt men dan niet, dat de genade eerder aanwezig is dan het middel,

1) Volgens Bornemann (TJnterricht im Christentum, S. 113) zou de paulinische gedachte nog meer beteekenis verkrijgen, doordat het verzoendeksel niet meer voorhanden was. Het „verzoendeksel" der Christenen blijft tot in eeuwigheid. Bleibtreu (Theol. Stud. u. Xrit., 1883) vindt hier een tegenstelling met de wet.