Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mangold, Oltramare e. a. te denken aan de rechtvaardiging door het geloof, dan zou er niet'staan IfSfmaar, evenals in vs. 21 en H. 1 : 17, Quvépuint; of kir0Kxhu\fsi?. Paulus spreekt van een Goddelijke eigenschap, welke de openbaring van den toorn Gods over de zonde door middel van straf eischt Dit blijkt uit het vervolg: „wegens de verdraagzaamheid Gods tegenover de vorige overtredingen". Deze verdraagzaamheid scheen met de rechtvaardigheid in strijd te zijn. Daarom was, bij de vergeving vooral, een betooning der Goddelijke rechtvaardigheid noodig. — Bij „rechtvaardigheid Gods" hebben wij dus niet te denken aan goedheid (Theodoretus, Abaelardus, Grotius, Semler e. a.), noch aan waarachtigheid of trouw (Ambrosius, Beza, Turretinus), noch aan heiligheid (Nitzsch, Neander, Hofmann). Hiervoor heeft Paulus andere woorden: xwrómc, xiyfatx, mar <?, iyiuavvy. De apostel wil hier iets anders zeggen. De rechtvaardigheid heeft ten doel in het heelal het recht van ieder, bovenal dat van God Zeiven, te handhaven, het recht om alles wat de gestelde orde eerbiedigt, te zegenen, en alles wat die orde schendt, te straffen. Deze eigenschap behoort bij het wezen Gods, bestaande in absolute liefde voor het goede, in heiligheid. Het goede d. i. de orde, de normale betrekking tusschen alle vrije wezens. De rechtvaardigheid is dus een van eeuwigheid latente eigenschap der heiligheid. Bij de verschijning van het vrije schepsel gaat zij in actieven toestand over, want uit de vrijheid volgt vanzelf de mogelijkheid van wanorde. In geval van wanorde kan God, wil Hij de vrijheid niet onderdrukken, de orde alleen handhaven door middel van straf. De straf is de orde in de wanorde. Zij maakt voor het geweten van den zondaar de wanorde der zonde voelbaar. Daarom spreekt de Schrift zoo dikwijls over de rechtvaardigheid Gods: zie b.v. Joh, 17:25; 2 Thess. 1:5; 2 Tim. 4:8; Openb. 16:5; 19:2, 11 enz. en vooral Rom. 2:5 v., waar men leest hoe de ïucxioxpioi'x toorn en verdrukking (vs. 8, 9), heerlijkheid en vrede (vs. 7, 10) onder de menschen ten gevolge heeft. — Alleen deze beteekenis van „de rechtvaardigheid Gods" past in het verband, vooral met

Sluiten