is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beteekenis, terwijl men het anders moet gelijk stellen met c. gen. — De gedachte is deze: Met het oog op de straffeloosheid, waarin de zondige menschheid zoo lang zich mocht verheugen, heeft God het noodig geoordeeld, eindelijk een afdoend bewijs van Zijn rechtvaardigheid te geven. Hij heeft dit gedaan door in den dood van Jezus de straf te voltrekken, die ieder zondaar hoofd voor hoofd had moeten ondergaan: Ritschl kan met het oog op zijn theorie van de gerechtigheid Gods (zie op H. 1:18) deze beteekenis niet aannemen. Hij stelt daarom (II2 S. 219 v.) tegenover •Kxftttm niet de straf, maar de vergeving. Tot de komst van Christus had God de zonden alleen geduld zonder ze te vergeven; in Christus echter was de gerechtigheid Gods (Zijn trouw om Zijne uitverkorenen te reddeu) werkelijk vergeving geworden. Maar waar staat dat woordje „alleen", hetwelk de opklimming van geduld tot vergeving moet aanwijzen (Gess) ? Het omgekeerde van straffeloosheid is bovendien niet vergeving, maar straf (H. 2:4, 5). Zie de parallelle plaats Hand. 17:30, 31. Logisch onjuist is ook de gedachte, dat God ten laatste vergeeft om de voorafgaande straffeloosheid. Oltramare zegt, dat God, toen Zijn lankmoedigheid den mensch niet tot schuldbesef bracht, tot een ander middel de toevlucht heeft genomen: de rechtvaardigheid door het geloof. Maar waar wordt gezegd, dat God de straffeloosheid door vergeving heeft vervangen , ten einde den onboetvaardigen zondaar tot inkeer te brengen? Ook werd dan „opdat Hij rechtvaardig zij en rechtvaardigende " middel in plaats van doel.

Calovius e. a. verstaan de „vorige zonden" niet van de zonden der menschheid in het algemeen vóór de komst van Christus maar van de zonden van eiken geloovige vóór zijn bekeering. Echter laat de tegenstelling „in den tegenwoordigen tijd (vs. 26)" deze individueele beteekenis niet toe. De tijd der rechtvaardigheid staat tegenover de periode der verdraagzaamheid. Philippi denkt alleen aan de zonden van het joodsche volk: vgl. Hebr. 9:15. Maar deze beperkte toepassing, die vanzelf voortvloeit uit de bijzondere strekking