is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zedelijke begrippen", i) Dit oordeel van den eminenten christen-denker wordt tegenwoordig door vele geloovigen gedeeld. Wij moeten er daarom meer bijzonder bij stilstaan.

In den regel worden twee bezwaren ingebracht. 1° Het is onrechtvaardig, een onschuldige voor een schuldige te doen boeten; hoe zou zulk een onrecht het middel kunnen zijn om de hoogste rechtvaardigheid te voldoen? 2° En gesteld dat het mocht, hoe zou dan nog het laatste oordeel mogelijk zijn? God kan toch niet voor de tweede maal de betaling eischen van een schuld, die reeds betaald is.

Maar is het niet mogelijk, de plaatsvervangende voldoening van Christus zóó voor te stellen, dat men dergelijke bezwaren vermijdt? Wijst de apostel zelf ons niet den weg tot een opvatting, aanmerkelijk onderscheiden van die, waaraan Vinet zich ergerde?

Verzoenen is: zóó voor een zonde lijden, dat God die vergeven kan. Wij kunnen in het binnenste heiligdom van het Goddelijke wezen niet indringen, noch van te voren zeggen op welke voorwaarden ons vergeving kan worden geschonken. Dit weten wij echter, dat God nooit een vergeving schenken zal, die den mensch, in plaats van hem op te heffen, vernedert. Daarom moet de Goddelijke vergeving onafscheidelijk verbonden zijn aan een daad van het menschelijk geweten, waarbij het de zonde even streng veroordeelt als God zelf. Anders zou de vergeving de zonde bevestigen en het verderf doen toenemen in plaats van het te beëindigen.

Hoe moet het verzoenend lijden dus zijn, zal het de vergeving mogelijk maken? Zoo, dat het geweten van den zondaar met de heiligheid Gods samenstemt en het oordeel van den mensch over de zonde hetzelfde is als dat van God.

Maar het geweten van den zondaar is verlamd. Alvorens het zoo krachtig kan spreken, moet het eerst zijn oorspronkelijke helderheid en gevoeligheid terug ontvangen. Hiertoe is een nieuwe openbaring der Goddelijke heiligheid noodig. Deze openbaring kan slechts bestaan in een lijden, hetwelk den

1) L c. p. 408.