is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zondaar de straf voor oogen stelt, die hem eigenlijk had moeten treffen, den onmiddellijken en bloedigen dood, de heilige vervloeking, welke het noodzakelijke gevolg is van elke vrijwillige en persoonlijke zonde, van eiken opstand van het schepsel tegen den Schepper.

Nadat God eeuwen achtereen Zijn verdraagzaamheid tegenover de zonde getoond had, heeft Hij deze openbaring eens voorgoed aan de wereld gegeven door het kruis van Jezus Christus. Paulus noemt dezen dood een betooning van rechtvaardigheid. Hij constateert tegenover den zondigen mensch de straf die hem toekomt, zoodat de mensch zeggen moet: „dat had ik verdiend".

Hij, die deze betooning van rechtvaardigheid realiseert, mag daarbij echter niet alleen een lijdelijke rol vervullen. Hij moet actief optreden. De Middelaar, in wiens lijden God voor aller oog Zijn recht tegenover de zondaren bewijst, moet zelf dit vreeselijke recht erkennen en zich met volkomen overgave aan Gods wil onderwerpen. Anders zou zijn lijden niet een werkelijke erkenning zijn van de rechtvaardigheid, wier geheele zwaarte hij te dragen heeft. Hij identifiëert zich met den schuldigen mensch en zijn zonde. Hij wil behandeld worden zooals ieder onzer verdiende behandeld te worden.

Bovendien moet deze erkenning van het recht Gods door het normale geweten, zelfs te midden van het vreeselijkste lijden, een echo vinden in het geweten des zondaars. Gelijk de Middelaar zijn geweten opent voor het licht van God, en aldus, in overeenstemming met de Goddelijke heiligheid, de absolute verdoemelijkheid der zonde gevoelt, zoo moet het geweten van den zondaar zich met dat van den Middelaar identifiëeren, diens oordeel over de zonde zich toeëigenen, en aldus de aan de Goddelijke rechtvaardigheid gebrachte hulde vernieuwen.

Aan den éénen kant kan God, in het belang van den zondaar, of, wat op hetzelfde neerkomt, in het belang van Zijn eigen heiligheid, geen afstand doen van Zijn recht om te straffen dan op voorwaarde, dat de zondaar dit recht