Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan het roemen der Joden, waarover in H. 2: 17—20 gesproken is. Daar echter de nieuwe wijze van rechtvaardiging de gansche menschheid betreft, is het beter aan de menschen in het algemeen te denken, die zich op hun eigen verdiensten beroemen. Zie het vervolg. Hofmann past het toe op de Christenen; Holsten op de Christenen uit de Joden; beide opvattingen hangen samen met een verkeerde verklaring van de pericoop of van den brief in zijn geheel. Het art. wil zeggen: iedere roem. De lezing aoü zal wel speciaal met het oog op de Joden geschreven zijn.

De volgende argumentatie geeft groote moeielijkheid. De moeielijkheid bestaat hierin, dat de apostel redeneert, alsof hij en zijne lezers eenstemmig zijn in de overtuiging, dat de beste wijze van rechtvaardiging is die, waarbij de menschelijke roem wordt uitgesloten; limmers, hij prijst de gerechtigheid des geloofs boven die der werken aan met de overweging, dat de eerste den menschelijken roem uitsluit, de laatste niet. Weiss gevoelt het bezwaar. Hij vraagt zich af, vanwaar de apostel het beginsel heeft, dat de ware gerechtigheid die is, welke het meest den menschelijken roem uitsluit; hij leidt het af uit het religieuse axioma, dat de ware vroomheid den mensch niet toelaat, zich voor God te beroemen (1 Kor. 1:29, 31). Het bezwaar hiertegen is, dat de apostel moeielijk van een verzwegen axioma kan uitgaan. Ons komt het waarschijnlijk voor, dat de premisse is aangekondigd in vs. 23 „allen hebben gezondigd enz." De wet spreekt het oordeel over de geheele wereld uit. Daarom heeft de rechtvaardiging, die van menschelijke verdienste afziet, ook het getuigenis der wet voor zich. De wet zelf verwerpt dus de gerechtigheid der werken. Nu blijkt ook de beteekenis van het part. ^mxiov^evoi van vs. 24. Het begrip van de gerechtigheid des geloofs is logisch gesubordineerd aan dat van aller zondigheid. Zoo baant Paulus zich hier reeds den weg voor vs. 27. Zoo komt tevens het element van waarheid in Oltramare's grammatikaal-onmogelijke opvatting van vs. 24 tot zijn recht. — Let op den aoristus: hij is uitgesloten; het is een afgedane zaak. Uitgesloten door de wet des

Sluiten