Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afhankelijk van het verb. (zijn van d. i. toebehooren aan), maar van fok, dat er bij moet gedacht worden: vgl. H. 2 : 28, 29. Gods betrekking tot de Heidenen laat het eerste niet toe. — De nadrukkelijke verzekering aan het einde van het vers: „ja, ook der Heidenen" wordt bewezen door een feit, hetwelk de Joden niet kunnen betwisten zonder de geheele wet op te heffen: de eenheid Gods. Deze eenheid is wel te vereenigen met een tijdelijk en paedagogisch particularisme, als dat des Ouden Verbonds, maar niet niet een definitief particularisme, hetwelk de zaligheid slechts voor een deel der menschheid verkrijgbaar achtte.

Vs. 30. Bij de lezing slnsp, als ten minste, wordt de eenheid Gods slechts ondersteld; bij de lezing hreivep als een onwedersprekelijk feit voorgesteld. Het laatste verdient de voorkeur, met het oog op het volgende ndie zal rechtvaardigen", hetgeen beteekent, dat deze ééne God, krachtens Zijne eenheid, alle menschen niet anders dan door één en hetzelfde, voor allen toegankelijke middel kan rechtvaardigen. — Het fut. is het fut. van het logische gevolg. Nu het beginsel eenmaal geponeerd is, komen de consequenties vanzelf (zoo Rückert, Hofmann, Weiss). Meyer laat dit feit slaan op al de bijzondere gevallen der geschiedenis, waarin het gevolg tot stand zal komen. Deze beteekenis ligt logisch in de eerste opgesloten. Beza en Fritzsche denken aan het laatste oordeel, waarover hier echter niet wordt gehandeld. — Waarom de verwisseling der praep., h van de Joden, hx van de Heidenen? Calvijn vindt hier een fijne ironie: „Wie met alle geweld een onderscheid tusschen Joden en Heidenen ■wil, ik zal hem er een aan de hand doen j de eersten v erkrijgen de gerechtigheid uit het geloof, de laatsten door het geloof". Godet verklaart het verschil aldus: de Jood was in het Verbond; hij leefde dus reeds van het geloof. De Heiden is buiten het Verbond; hij moet tot het geloof komen. Maar Paulus gebruikt èx iria-Teus geheel in 't algemeen (vs. 26; H. 5:1), ja ook van de Heidenen (H. 9:30, Gal. 3: 8). Daarom zeggen wij met Augustinus, dat het een eenvoudige stijlkwestie is: ad varietatem locutionis. Zoo ook Meyer,

Sluiten