Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lipsiu8 e. a. zien in vs. 31 het thema van H. 4. Weiss schrijft: „Paulus zegt volkomen terecht, dat hij door de leer van de gerechtigheid des geloofs een Goddelijke bedeeling, vfoov, een wet bevestigt, want in de geschiedenis van Abraham wordt deze wijze van rechtvaardiging van te voren afgebeeld". Maar „wet" kan in het tweede deel van dit vers geen andere beteekenis hebben dan in het eerste *); en daar kan het niets anders beteekenen dan „de mozaïsche wet", omdat zij het was, die Paulus, volgens de beschuldiging zijner vijanden, wilde opheffen. Oltramare verstaat hier onder „wet het Oude Testament2), hetwelk door zijn leer over de rechtvaardiging van Abraham de leer van Paulus bevestigt. Maar dan moest de apostel H. 4:1 aldus voortgaan : Want wat zullen wij zeggen enz. ? De wijze, waarop God den aartsvader heeft gerechtvaardigd, kan toch niet het gevolg zijn van het feit, dat de leer van Paulus het O. T. bevestigt! Ook kan men Lipsius niet toegeven, dat «wet' hier zoowel het O. T. als de zedelijke wet beteekent. Wij behoeven den tekst niet zooveel geweld aan te doen; onze verklaring van vs. 27—30 wijst ons den weg. Het 3l»te vers vormt het slot van het eerste deel der bewijsvoering, dat wet en profeten aan de gerechtigheid Gods getuigenis geven. H. 4 bevat hiervan het tweede deel, dat zich als natuurlijk gevolg bij het eerste aansluit 8). — De

1) Volgens de Syn. Vert. wordt in vs. Jla yan de mozaïsche wet, in vs. 31b van de Schrift gesproken.

2) Cramer, Ex. et Crit. III bl. 68 v. denkt aan de bedeeling der wet; vgl. Boozemeyer, Prot. Bijdr. IV, 39. Volgens Feyerabend (Neue kirchliche Zeitschrift, 1892) wordt de wet bevestigd doordat zij nu niet meer als medium salutis beschouwd wordt, maar zich haar eigen plaats in het heilsplan Gods ziet aangewezen.

3) Wy herkennen terstond den roomschen exegeet in Dr. Valentin Weber

ah hij in zjjn „Kritische Geschichte der Exegese des 9 Kapitels, resp. der

Verse 14—83 des Römerbriefes bis auf Chrysostomus und Augustinus ein-

schheszlich, Würzburg 1889" de uiteenzetting, dat de nieuwe heilsleer met

de openbaring yan het O. T. oyereenstemt, ook tot leidende gedachte van

maakt. II. 4, 5 wijst die harmonie aan tegenover het religieust.

Sluiten