is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ware lezing is waarschijnlijk 'mrivoiAtv, waarvoor men later 'uttü/acv in de plaats stelde. Het verb. beteekent niet „onderhouden", „bewaren", maar „maken dat iets vast staat", „bevestigen". Paulus maakt de wet opnieuw vast door de gerechtigheid des geloofs.

TIENDE STUK.

H. 4:1—25. i)

Abraham's becbtvaardiging doob het geloof.

Abraham was voor de Joden de incarnatie des heils; zijn voorbeeld was dus een voornaam element bij de oplossing van het vraagstuk. Paulus weet dit. Was ook de aartsvader door het geloof en door het geloof alleen gerechtvaardigd, dan kon zijn stelling bewezen heeten. Was hij echter gerechtvaardigd door eenig eigen werk, dat aan het geloof werd toegevoegd, dan had Paulus het pleit verloren. Dat de wet en de profeten aan de gerechtigheid des geloofs getuigenis gaven (H. 3:21), blijkt zonneklaar uit het schriftuurlijk bewijs, dat de vader der geloovigen op geen andere wijze gerechtvaardigd is.

In vs. 1—12 bewijst de apostel, dat Abraham zijn gerechtigheid dankte aan het geloof en aart het geloof alleen. In vs. 13—16, dat de erfenis der wereld, hem en zijn nakomelingschap beloofd, zijn deel werd onafhankelijk van eenige waarneming der wet. In vs. 17—22, dat de nakomelingschap zelf vrucht was van geloof. Gerechtigheid, erfenis, nakomelingschap, Abraham had het alles door het

H. 6—8 tegenover het zedelijke, H. 9—11 tegenover het „heilsgesohichtliche" bewustzijn des O. T. In elk dezer drie stukken wordt door hem een polemisch, een apologetisch en een irenisch deel aangenomen.

1) Zie: Aanteekeningen van eenen jurist (Mr. J. J. l. van der Brugghen) op Bom. IV, 1846, en Blom, Paulus' leer van de geloofsgerechtigheid van Abraham (Xheol. Tijdsclir., 1880). In „Yerisimilia" is vs. 1—5, 10—12 het joodsche bestanddeel van H. 4.