Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plaats van iCipttnivxii „Wat zullen wij dan zeggen? (Toch niet) dat Abraham, onze oudvader, (Gode) welgevallig is geweest naar het vleesch P" Wanneer wij ons aan den gewonen tekst houden, moeten wij het geheele vers beschouwen als één vraag. De apostel vraagt zich af, of Abraham door eigen verdienste eenigen geestelijken zegen deelachtig is geworden. Kxtx axpxx behoort — ook afgezien van de verschillende plaatsing der woorden in de verschillende HSS. — niet bij tov npoirxTcpx maar bij eupwévxt. 1) Men kan

zich een vader naar den geest denken; maar een oudvader naar den geest (die dan als tegenstelling van een oudvader naar het vleesch zou moeten gedacht worden) wat is dat? (Zie Cramer). Bovendien is er in vs. 2, 3 geen sprake van de natuur van Abraham's vaderschap, maar alleen van de wijze, waarop hij rechtvaardig geworden was. — „Het vleesch" duidt hier de menschelijke natuur aan, verstoken van Gods Geest, alleen aan hare natuurlijke krachten overgelaten. De beteekenis is dus: „Wat zullen wij zeggen, dat Abraham verkregen heeft door zijn eigen werk?" — Het woord irponxTup komt elders in het N. T. of de Sept. niet voor; juist daarom is het echt; men heeft voor het ongewone het gewone (ttxtw) in de plaats gesteld (vgl. vs. 11, 12, 16). Paulus gebruikt het woord waarschijnlijk om het prototypisch karakter van Abraham te doen uitkomen. Sommigen meenen, dat de apostel hier alleen spreekt in naam van het joodsch-christelijke deel der gemeente, terwijl dan met vxtvip het geestelijk vaderschap van den patriarch over alle Christenen zou worden aangeduid. Gesteld dat dit juist was, hetgeen wij betwijfelen, dan zou het toch nog niets bewijzen voor een joodschchristelijke meerderheid in de gemeente te Rome (vgl. 1 Kor. 10:1). Wij kunnen niet gelooven, dat Paulus op die wijze een hoofdstuk zou beginnen, hetwelk zal aantoonen, dat Abraham evengoed de vader is van de geloovigen uit de Heidenen als van die uit de Joden (zie de kategorische ver-

1) Hort, die iCptiKévxi uit den tekst verwijdert, verbindt xxtcc tr&pxx toch niet met tov irftnrxrofot fipóSv (Sauday-Headlam, p. 99).

Sluiten