is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij hem gevonden was, vanzelf rechtvaardig voor God zou geworden zijn. Nu werd zijn geloof hem als gerechtigheid toegerekend. Waarom hechtte God aan het geloof zooveel waarde? Omdat het een bewijs was van zijn vertrouwen en van zijn vroomheid (Lipsius)? Om de gezindheid van den aartsvader, welke zich daarin openbaarde (Oltramare)? Om de gezegende gevolgen P Maar hoe is dit overeen te brengen met <*(Xf/3if? van vs. 5 ? Men moet de verdienste des menschen niet zoeken in een woord, hetwelk alle verdienste uitsluit. Het geloof is vóór alles alleen receptiviteit. Zijn waarde ligt in het voorwerp, hetwelk het aangrijpt en zich toeëigent: God en Zijn openbaring. Dat voorwerp is de volmaaktheid zelf. Gelooven is dus: in eens de volmaaktheid grijpen. Het heeft daarom niets bevreemdends, dat het geloof, hetwelk de volmaaktheid grijpt, door God tot gerechtigheid gerekend wordt. Het geloof is de beste en de gelukkigste greep.

De bewijsvoering is met het bloot citeeren van Gen. 15: G niet ten einde. De apostel ontleedt den inhoud van het vers (door een midrasch, zouden de rabbijnen zeggen) om aan te toonen, dat „maar niet bij God" werkelijk in dit vers ligt opgesloten (vs. 4, 5). In vs. 4 bewijst Paulus, dat Abraham dus niet werd gerechtvaardigd als een arbeider, die zijn taak heeft volbracht; in vs. 5, dat hij gerechtvaardigd werd als een arbeider, die zijn taak niet heeft volbracht.

Vs. 4. De uitdrukking b tpyctfyftivo; i) heeft hier een algemeene en abstracte beteekenis: ieder, die in het gewone leven in dienst van een ander arbeidt. Heeft de zoodanige zijn taak volbracht, dan betaalt men hem zijn loon uit, niet bij wijze van gunst, maar omdat hij het heeft verdiend. Abraham werd niet aldus behandeld; derhalve behoort hij niet tot degenen, die hun taak volbracht hebben. „Geven na schuit en toerekenen uyt genade worden hier tegen malkanderen gestelt als tegen malkanderen strijdende" (Kantt.).

In vs. 5 gaat de uitdrukking „werken" van de algemeéne in een meer geestelijke beteekenis over. Alleen wanneer een

1) Weiisacker: Handelt es sich um Werkleistung. Godet/Jovkib, Somtintn.

18