Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zin tot appositie van het vorige sU ro sïvxi te maken. In de eerste ed. van zijn kommentaar liet Godet het tweede ck afhangen van tvitmuivTuv , in dien zin, dat de intentie niet aan de geloovigen maar aan God werd toegeschreven. In de tweede komt hem de opvatting van Reuss aannemelijker voor. Reuss laat het tweede eU slaan op irecrépec: opdat hij de vader der onbesneden geloovigen zijn zou, opdat de gerechtigheid des geloofs ook hun werd toegerekend. „Hun opname in dc familie van den vader der geloovigen had ten doel, hen in dezelfde wijze van rechtvaardiging te doen deelen." Nu wordt ook tevens kxI vóór xutoïs duidelijk: ook voor hen, eveugoed als voor hem, hun geestelijken vader. — In zake h» zie men H. 2: 27. — Het pronom. ecuróv stelt de persoonlijkheid van Abraham op den voorgrond, den vader der geloovige Heidenen (vs. 11) en der geloovige Joden (vs. 12).

Wanneer de apostel hier onder de leden van Abraham's geestelijke nakomelingschap in de eerste plaats de geloovige Heidenen noemt, bedoelt hij met deze schijnbare omkeering niets anders dan de herstelling van de ware orde. Bevonden zij zich niet in een toestand, het meest overeenkomende met dien van den aartsvader op het oogenblik dat hij de rechtvaardiging door het geloof ontving, en waren zij niet bijgevolg zijne wettige nakomelingen? Wilde men van voorrang spreken, dan was deze eerder aan de zijde der geloovige Heidenen dan aan die van de besneden Christenen. Een algeheele ommekeer in de joodsche opvatting alzoo!

Vs. 12. Tot Abraham's geestelijke nakomelingschap behoorden verder de geloovigen van joodsche afkomst. Er is in dit vers een grammatikale moeielijkheid. De grieksche uitdrukking schijnt op twee soorten van menschen te wijzen. Letterlijk vertaald staat er: voor hen, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar ook voor hen, die wandelen enz. Theodoretus, Luther e. a. hebben daarom het eerste deel van den zin op de geloovige Joden, het tweede op de geloovige Heidenen doen slaan. Maar waarom zou Paulus nog eenmaal terugkomen op de laatsten, die in vs. 11 reeds voldoende gekarakteriseerd waren? En waarom zou hij, van

Sluiten