is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechtvaardiging. De wijze, waarop het ééne tot stand komt, bevestigt de wijze, waarop het andere tot stand gekomen is. Vandaar „want", hetwelk vs. 13 aan vs. 12 verbindt. — Het art. ontbreekt vóór vipov. Paulus spreekt van een wet in het algemeen, als uitdrukking der Goddelijke heiligheid, niet van de mozaïsche wet. Hij wil alles wat „wet" is, in welken vorm ook, uitsluiten. — Met opzet voegt hij bij Abraham: „of zijn zaad". God had Abraham zeiven de erfenis om niet kunnen beloven, en dan toch nog diens nakomelingen een voorwaarde kunnen stellen, b.v. de vervulling van de wet, die later gegeven zou worden. Hij heeft dat niet gedaan en ook niet kunnen doen; zie vs. 14—16. — Weiss e. a. verstaan onder „zijn zaad" alleen het joodsche volk l); Meyer, Philippi e. a. de groote geestelijke familie der gerechtvaardigden, Joden en Heidenen (vs. 11, 12). Met het oog op het verband verdient het de voorkeur, beide beteekenissen te vereenigen, gelijk zij ook in de beloften des O. T. vereenigd waren. God had zeker in de eerste plaats het geslacht van Abraham (naar het vleesch) op het oog, maar daarna allen, die zich om het geloovige Israël zouden scharen.

In het begrip „de erfenis der wereld" ligt drieërlei belofte. Vooreerst de belofte van het land Kanaan, het uitgangspunt van de heiliging der gansche aarde en dus het zinnebeeld van het verheerlijkte heelal. Men vergelijke wat een kommentaar op den Pentateuch (Tanchuma) zegt: „God heeft aan mijnen vader Abraham het bezit van hemel en aarde gegeven". Zou niet de geheele wereld één Kanaan worden? Ten andere, de belofte van het universeele heil, van Abraham en zijn nakomelingschap uitgaande. De Heidenen zullen door middel van Israël deel hebben aan het rijk van God (Gen. 12 : 3 vgl. 26 : 3, 4; 22 : 17). Ten derde, de belofte van den Messias. Israël's toekomstige wereldheerschappij concentreert zich in den Messias (zie Ps. 2:8). De vleeschelijke zin der Joden mocht aan deze universeele suprematie een meer

1) Böhmer denkt aan den Messias!