is toegevoegd aan uw favorieten.

Kommentaar op den Brief aan de Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geloovigen: 1® de nakomelingschap, die uit de wet is, de geloovigen uit de Joden, voor wie de erfenis verloren zou zijn gegaan, wanneer zij aan de wet verbonden ware; 2e de nakomelingschap, die uit het geloof is, de geloovigen uit de Heidenen, voor wie de belofte onbereikbaar is, tenzij zij onafhankelijk is van elke wettelijke voorwaarde. Sommigen brengen tot de eerste klasse de Joden als Joden, niet als geloovigen. Na al hetgeen gezegd is kan het geloof echter niet van het begrip „zaad Abraham's" worden afgescheiden. Móvov behoort niet bij ix roü véaou alleen, maar bij tw h roü vo'fiou; vandaar xxl vóór het tweede tü. Bij de Heidenen wordt het geloof uitdrukkelijk vermeld als de eenige grond waarom zij zich tot de nakomelingschap van Abraham kunnen rekenen. Die (om het geloof, dat ons vereenigt) vader is van ons allen (Joden en Heidenen), 't Is de samenvatting van het voorafgaande. — Echter zou een Jood nog kunnen beweren: „alles goed en wel, maar tot verwerkelijking van dit plan Gods was er toch een volk Israël noodig, en om dit Israël in het leven te roepen, was er toch een Izaak noodig. Welnu, deze zoon van Abraham is op natuurlijke wijze geboren; die geboorte heeft met de rechtvaardiging door het geloof niets te maken." Zoo zou de tegenstander met éen slag het geheele terrein herwonnen hebben. Op de vraag van vs. 1, wat Abraham naar het vleesch verkregen had, kon dan de Jood antwoorden: zijn zoon Izaak, bijgevolg het uitverkoren volk, bijgevolg alles. Paulus is een echt joodsch denker en kan deze tegenwerping niet onopgemerkt laten voorbijgaan. Daarom treedt hij voor de derde maal op om het joodsche vooroordeel te ontzenuwen en uit de Schrift aan te toonen, dat de geboorte van Izaak, evenzeer als de rechtvaardiging en de belofte van de erfenis, een zaak van het geloof was. Ook dit heeft Abraham niet door het vleesch verkregen; Abraham verkreeg niets door het vleesch: quod erat demonstrandum (vs. 1). Dit is de leidende gedachte van het derde stuk (vs. 17—21), hetwelk door de laatste woorden van vs. 16 is ingeleid.