Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H. 4: 17—22.

Uit het bekende bijbelsche verhaal blijkt, dat de eerste erfgenaam der beloften niet door het vleesch maar door het geloof geboren is.

Vs. 17: «gelijk er geschreven staat: „Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld", namelijk voor God, in Wien hij geloofde als in Hem, Die de dooden levend maakt en de dingen die niet zjjn, roept alsof zij waren;"

Paulus noemt Abraham „vader van ons allen" met een beroep op Gen. 17:5. Tot de „vele volken" rekent hij niet alleen de volksstammen, die Abraham tot stamvader hebben, maar ook de heidensche volken, die tot het heil geroepen worden. — Op het aangehaalde Schriftwoord volgt, naar de wijze der rabbijnen, onmiddellijk een verklaring (een midrasch). Hoe kon God zeggen: „Ik heb u gesteld", terwijl het iets gold, hetwelk feitelijk eerst veel later zou tot stand komen ? Deze paradox geeft ons een inzicht in het wezen van Abraham's geloof. In de oogen van God was de aartsvader reeds wat hij worden moest. Zich plaatsende op het standpunt van God, achtte hij zich reeds hetgeen hij naar Gods belofte worden moest. Bedriegen wij ons niet, dan is dit de beteekenis van: „voor God, in Wien hij geloofde". Sommigen laten deze woorden slaan op „die vader is van ons allen", d. w. z. die het is volgens het oordeel Gods. Maar het praesens hri heeft betrekking op het oogenblik, waarop de apostel schrijft, niet op den tijd, toen God met Abraham sprak. Men moet dus de bepaling „voor God" verbinden met „Ik heb gesteld": hij werd alzoo gesteld op dat oogenblik nl. voor God. Abraham was krachtens zijn geloof nu reeds in de oogen van God wat hij eenmaal worden zou. De

constructie xktsvccdti ou — ósoü kan op tweeërlei wijze

ontleed worden: 1° KarivavTi toü óioiï xxrsvavTi ov iiritrTiurs (voor het aangezicht van dien God, voor Wiens aangezicht

Sluiten